molendied


De Molenaars in de Onderste Molen te Schinveld en hun Gezinsleden

De Onderste Molen aan de Brunssummerstraat in Schinveld was een meelmolen die draaide op waterkracht van de Rode Beek. Hij is niet meer als molen maar wel nog als woonhuis in gebruik.

De molen werd in 1771 gebouwd door Peter Antoon Bex. Hij, zijn gelijknamige zoon en zijn schoonzoon Frans Theodoor Dortants waren de molenaars tot 1825. Vervolgens was Mathijs Linssen de molenaar, tot 1832, toen de molen in handen kwam van Jan Joseph Dohmen. Deze molenaar en vervolgens zijn zonen Jan Antoon, Jan Mathijs en Christiaan Joseph Dohmen exploiteerden de molen tot 1898. Toen nam zijn aangetrouwde kleinzoon Andreas Adamus Diederen de exploitatie over. Na de dood van Andreas Adamus in 1906 zette diens vrouw Maria Agnes Diederen-Dohmen het molenbedrijf voort, bijgestaan door haar kinderen. In 1919 werd haar zoon Christiaan Joseph Diederen de molenaar. In de periode tussen 1963 en 1973 werd het molenbedrijf geleidelijk aan afgebouwd door Joseph’s zonen Jacques en Nol Diederen.

Molenaar Jan Joseph Dohmen is via zijn moeder Maria Helena Bex verwant aan de molenaars Bex en Dortants. De molenaars Diederen zijn verwant aan molenaar Linssen via diens vrouw Maria Ida Diederen en zijn bovendien rechtstreekse afstammelingen van molenaar Jan Joseph Dohmen.

De samensteller van dit molenaarsverhaal, Jacques H.B. Diederen, is een achterachterkleinzoon van Jan Joseph Dohmen. Hij is niet in de Onderste Molen geboren maar in het ernaast gelegen woonhuis, dat behoorde bij de houtzagerij en houthandel Diederen. Dit bedrijf is opgericht door zijn vader Arnold Diederen, zoon van het molenaarsechtpaar Andreas Adamus Diederen en Maria Agnes Dohmen. In eerste instantie was de houtzagerij opgezet als nevenbedrijf van de meelmolen in de Onderste Molen en werd er ook op waterkracht gezaagd. In 1921 werd de houtzagerij verplaatst naar een perceel naast de Onderste Molen en voortaan elektrisch aangedreven.

 

De informatie over de molenaars en hun gezinsleden is voor een belangrijk deel ontleend aan de volgende bronnen, waarnaar in de tekst wordt verwezen:

 

Bosch J.H.W. 1974 Bijdrage tot de Geschiedenis van Schinveld.

Diederen Sjang/Jean 1960 Historisch Overzicht van de Watermolen de Onderste Molen te Schinveld

Scherpenzeel A. 1870 Schets over den Politieken Toestand der Gemeente Schinveld 1849-1869

Van Bussel P.W.E.A. 1991 De Molens van Limburg pag. 297-298; Eindhoven: Bura Boeken.

1  Molenaar Peter Antoon Bex Senior

 

zoon van Joannes Bex en Maria Ubachs, gedoopt te Schinveld op 23 november 1733, overleden vóór 31 januari 1826, trouwde te Schinveld op 9 februari 1762 met Anna Elisabetha Reiners, gedoopt te Schinveld op 20 december 1741, overleden te Schinveld op 1 juli 1787, dochter van Antonius Reijners en Joanna Scherpeseels.

 

Molenaar Peter Antoon Bex was ook een belangrijke aannemer. Hij bouwde in 1771 voor zichzelf de "Onderste Molen" in Schinveld. In de bovendeur (bovenste helft van de voordeur) bevinden zich nog steeds (in 2014) zijn initialen AB en die van zijn vrouw AR. Voor de bouw van de molen kreeg hij toestemming van Maria Theresia, keizerin van Oostenrijk, want Schinveld hoorde toen tot de Oostenrijkse Nederlanden. Als octrooirecht voor het octrooi hem door de keizerin verleend, moest hij jaarlijks twaalf vaten spelt leveren [Bosch pag.189]. Bij de molen werd ook een vergaarvijver aangelegd, plaatselijk "wijer" genaamd, waarin het maalwater werd opgestuwd. De ligging van de molen werd aanvankelijk aangeduid met "aan de Duiker". Op het einde van de 19e eeuw werd de ligging met "aan de Winkelstraat" aangeduid [Van Bussel pag.297].
Peter Antoon heeft ook de pastorie van Nuth gebouwd, de kerk van Gemmenich en de toren van Hergenrath, de twee laatstgenoemde dorpen gelegen in het huidige België, even ten zuiden van Vaals. Voor de eerste twee objecten heeft hij een waarborg moeten stellen van respectievelijk f.12.000 en f.4000. Het gerecht van Brunssum geeft een verklaring af aan het Hoogwaardig Kapittel te Aken en aan de Graaf van Hoensbroek dat de goederen van Bex te Schinveld meer dan f.16.000 waard zijn [Bosch pag.189].

Toen in 1793 het leger van Napoleon aanstalten maakte om ook Schinveld en omstreken op de Oostenrijkse keizer te veroveren - Schinveld maakte toen immers deel uit van de Oostenrijkse Nederlanden - zagen ook Schinveldenaren de Franse overwinning aankomen en weigerden alvast nog verder diensten te verrichten voor de Oostenrijkers. Dit bezorgde de toenmalige burgemeester Creyten veel moeilijkheden. Zo moest hij op 20 juni 1793 bij het Schepengerecht te Brunssum een klacht indienen tegen Peter Antoon. Deze weigerde namelijk met paard en kar naar Reckheim (= Rekem, in het huidige België, ca 10 km ten noorden van Maastricht) te rijden, "tot dienst van Sijne Keizerlijke Majesteit", de Oostenrijkse welteverstaan. Hij had drie paarden maar weigerde aan het bevel te voldoen ondanks verschillende waarschuwingen van hogerhand. Bex werd toen veroordeeld tot een zware boete wegens dienstweigering [Bosch pag.223].
Peter Antoon voerde oppositie tegen burgemeester Creyten omdat die verscheidene Franse bevelen moest uitvoeren die de inwoners van Schinveld niet welgevallig waren. Toch aanvaardde Peter Antoon in 1801 zélf zijn benoeming tot burgemeester uit handen van de Fransen [Bosch pag.227]. In december 1801 legt hij zijn ambtseed af als burgemeester. Hij zweert daarbij trouw aan de Franse Grondwet van het jaar VIII (1799). Hij was blijkbaar vergeten dat hij vroeger zijn voorgangers Creyten en Dohmen collaboratie met de Fransen had verweten. [Bosch pag.247-248].
Als Peter Antoon in 1801 door de Fransen tot burgemeester van Schinveld is benoemd en de Fransen iets minder vijandig optreden tegen de R.K. Kerk, is zijn eerste zorg te bevorderen dat de door de bisschop in 1800 benoemde pastoor (Horstmans, een Norbertijn) zich ook daadwerkelijk te Schinveld komt vestigen. Hij richt daartoe een verzoekschrift aan de bisschop en zijn actie heeft succes. Onderdeel van het verzoekschrift is een lijst van alle gezinnen van Schinveld met het aantal gezinsleden. Schinveld blijkt dan 1014 inwoners te hebben. Het gezin van Peter Antoon zelf telt 15 personen, personeel inbegrepen. [Bosch pag.294].
Peter Antoon was ook pachter van "De Onderste Hof" in Merkelbeek, ook wel "Vossenhof" genoemd, die hij gepacht had van baron De Negri in 1787. Het door baron de Negri eigenhandig geschreven en door hem en door Peter Antoon ondertekende hernieuwde pachtcontract van 1799 is volgens Bosch [pag.46] na de tweede wereldoorlog nog steeds in het bezit van een familie te Schinveld. Er staat onder andere in dat Peter Antoon de eerste jaren geen pacht hoeft te betalen omdat hij veel schade heeft geleden wegens leveranties aan het Franse bezettingsleger en inkwartiering van Franse soldaten. De pachtvoorwaarden waren overigens lang niet mals, want Peter Antoon moest op eigen kosten de hof herstellen, jaarlijks 1600 Franse kronen betalen en jaarlijks aan de baron leveren: 6 pond kandijsuiker, een pond peper, een kwart pond "groffelsnagels", 100 pond boter, 15 pond zuivere wol en een vet varken van ongeveer 300 pond.

Geschriften uit de tijd van burgemeester Peter Antoon Bex laten zien hoe wisselvallig de geschiedenis van het gebied waar Schinveld toen deel van uitmaakte was. Er zijn notariële akten bij die kort na elkaar met de volgende aanvangformules beginnen: Wij, Napoleon, Keizer der Fransen; Wij, Friedrich Wilhelm, Koning van Pruisen; Wij, Willem I, Koning der Nederlanden; Wij, Leopold, eerste Koning der Belgen. Schinveld maakte toen binnen enkele tientallen jaren van vier verschillende landen deel uit [Bosch pag 46]. Bovendien maakte Schinveld vóór de tijd van Napoleon deel uit van het grondgebied van de Oostenrijkse Nederlanden, onder heerschappij van de Oostenrijkse keizer.
Tijdens zijn burgemeesterschap beklaagt Peter Antoon er zich in brieven aan de Franse Prefect in Maastricht over - Schinveld maakte in de Franse tijd deel uit van het Arrondissement Maastricht - dat hij er maar niet in slaagt de gemeentelijke financiën op orde te krijgen [Bosch pag. 248, 249, 251] vanwege gebrek aan medewerking van de gemeenteraadsleden en voorgaande burgemeesters en gemeente-ontvangers. "Het is treurig voor mij burgemeester te zijn van een dorp als Schinveld en ik doe toch mijn plicht zoals het moet in mijn gemeente en voor de Keizer en voor u, meneer de Prefect". Hij zegt ook dat hij niet van plan is om nog langer uit eigen zak te betalen, temeer omdat de gemeente hem nog nooit zijn salaris heeft uitbetaald en hij niets als moeilijkheden heeft gehad. Hij kan zo niet leven met zijn kinderen en zal genoodzaakt zijn het ambt neer te leggen. Hij heeft namelijk uit Maastricht te verstaan gekregen dat hij er persoonlijk voor verantwoordelijk is dat er niet méér zal worden uitgegeven dan er aan belasting bij de gemeente binnenkomt. Uiteindelijk wordt burgemeester Bex de last van het besturen te zwaar en wordt in mei 1807 Joannes Henricus Janssen, de koster, benoemd tot burgemeester van Schinveld. Deze legt de ambtseed af in handen van zijn voorganger Bex.

Peter Antoon Bex woont nog in 1804 in de Onderste Molen [Bosch pag.249].
Op 15 april 1812 bericht burgemeester Lienaerts van Merkelbeek dat zich in zijn gemeente gevestigd heeft P.A. Bex, oud-burgemeester van Schinveld [Bosch pag.257]
.

 

Kinderen van Peter Antoon Bex senior en Anna Elisabetha Reiners:

 

-                Joannes Bex gedoopt te Schinveld op 28 april1763, overleden vóór 1778.

-                Peter Antooon Bex junior, voor vervolg zie 2.

-                Joanna Maria Bex, voor vervolg zie 3.

-                Henricus Bex, gedoopt te Schinveld op 7 oktober 1774, landbouwer, overleden te Merkelbeek op 26 juni 1820, trouwde te Merkelbeek op 3 oktober 1818 met Joanna Elisabeth Leenaerts, geboren te Schinnen op 10 mei 1796, overleden te Schinnen op 18 maart 1875.

-                Joannes Bex, gedoopt te Schinveld op 7 januari 1778, landbouwer, overleden te Merkelbeek op 25 januari 1847, trouwde te Merkelbeek op 21 november 1818 met Catharina Elisabeth Beltgens, geboren te Merkelbeek op 15 januari 1796, overleden te Merkelbeek op 27 juli 1859.

 

2  Molenaar(szoon) Peter Antoon Bex junior

 

zoon van molenaar Peter Antoon Bex senior en Anna Elisabetha Reiners, gedoopt te Schinveld op 28 februari 1765, overleden te Schinveld op 13 april 1828, trouwde te Schinveld op 13 mei 1787 met Maria Mechtildis Biesmans, gedoopt te Schinveld op 7 oktober 1762, dochter van Gerardus Martinus Biesmans en Mechtildis Daemen, overleden te Bingelrade op 13 juli 1854.

 

Deze gelijknamige zoon van de bouwer van de molen heeft de Onderste Molen geërfd van zijn vader en is in ieder geval in januari 1826 eigenaar van de molen [Bosch pag.295]. Bosch schrijft namelijk het volgende: Van oudsher waren de eigendommen in onze streken onderworpen aan een kerkelijke belasting, die men in natura betaalde, de zogeheten roggerente. Bovendien moesten de eigenaars een onderpand stellen, waarop de kerk beslag kon leggen als zij nalatig waren in het betalen der belasting. Op 31 januari 1826 laat Frans Theodoor Deumens, de ontvanger van het Schinveldse kerkbestuur, Peter Antoon Bex, de zoon van de gelijknamige vroegere burgemeester van Schinveld, die intussen overleden is, voor het kantongerecht te Oirsbeek dagen, omdat hij enkele landerijen had verkocht die behoorden tot het bedoelde onderpand. Bex verdedigt zich met te zeggen dat de nieuwe molen (=Onderste Molen), welke hij geërfd heeft van zijn overleden vader, voldoende onderpand is. De rechtbank verplicht hem echter daarenboven een ander onderpand te stellen voor de verkochte eigendommen. De belasting of rente die Bex ieder jaar moest betalen bestond uit 3 koppen en 88 vingerhoeden rogge en 7 koppen en 43 vingerhoeden lijnzaad.

Het is mogelijk dat zoon Peter Antoon Bex slechts (mede)eigenaar van de molen maar niet de molenaar zélf is geweest en dat zijn zwager Dortants in die tijd de molenaar was.

3  Molenaar Frans Theodoor Dortants

gedoopt te Brunssum op 31 mei 1758, overleden te Schinveld op 6 september 1830, trouwde te Merkelbeek op 8 februari 1791 met Joanna Maria Bex, gedoopt te Schinveld op 14 mei 1770, overleden te Merkelbeek op 19 oktober 1803, dochter van Peter Antoon Bex senior en Anna Elisabetha Reiners.

 

Deze schoonzoon van molenaar Peter Antoon Bex senior heeft ongeveer 25 jaar op de Onderste Molen te Schinveld gewerkt, tot 1825. Hij heeft er met zijn gezin gewoond nadat zij eerder op de Onderste Hof in Merkelbeek bij (schoon)vader Peter Antoon Bex woonden en werkten [Jaarboek 2000 Heemkundevereniging De Veersjprunk Onderbanken pag.50]. In 1811 wordt Frans Theodoor Dortants als molenaar in de Onderste Molen vermeld en als iemand die bedrijfsbelasting moet betalen. In 1813 moet Dortants uit de Onderste Molen 107 francs extra-belasting betalen als bijdrage voor door de Fransen geplande grote publieke werken in Limburg [Bosch pag.256]. Van Bussel [pag.297] schrijft dat na Bex ene F.Th Dortrans  eigenaar was van de Onderste Molen. Hij schrijft er niet bij na wélke Bex, de vader of de zoon Peter Antoon. Waarschijnlijk is Van Bussel niet op de hoogte geweest van het feit dat er twee opeenvolgende personen met de naam Peter Antoon Bex bij de Onderste Molen betrokken zijn geweest. Sjang Diederen [1960] meldt dat molenaar Dortants failliet is gegaan  en Scherpenzeel [1870] schrijft: “De molen van Dorthang te Schinveld wordt door de Arrondissements Rechtbank publiek verkocht aan een zekeren Heer Linssen”.

 

Kinderen van Frans Theodoor Dortants en Joanna Maria Bex:

 

-                Peter Antoon Dortants, voor vervolg zie 4.

-                Marie Meghtilde Dortants, geboren te Merkelbeek op 13 november 1797, overleden te Brunssum op 1 nobember 1883, trouwde te Merkelbeek op 9 juni 1821 met Joannes Petrus Kuijpers, overleden te Brunssum op 10 december 1866.

-                Marie Elisabeth Dortants, geboren te Merkelbeek op 23 maart 1801, overleden te Schinveld op 4 januari 1830, trouwde te Schinveld op 11 mei 1829 met Jan Arnold Pagen, overleden te Merkelbeek op 6 november 1846.

 

4  Molenaarszoon Peter Antoon Dortant

 

zoon van molenaar Frans Theodoor Dortants en Joanna Maria Bex, geboren te Merkelbeek op 18 november 1791, overleden te Heerlen op 17 juni 1870, trouwde te Brunssum op 18 juni 1814 met Maria Cornelia van den Camp, gedoopt te Brunssum op 14 januari 1788, overleden te Brunssum op 4 augustus 1831.

 

Hij werkte vóór zijn huwelijk op de Eykholtermolen bij Terworm. Hij zou de brouwerij aan de "Winkengads" te Brunssum aan de Oude Markt zijn begonnen. Later was hij weer werkzaam op diverse molens in de omgeving van Heerlen [Jaarboek 2000 Heemkundevereniging De Veersjprunk Onderbanken pag.49].

 

5  Molenaar Mathijs Linssen

 

geboren te Klimmen op 21 juli 1793, overleden. te Meerssen op 5 maart 1850, trouwde te Nuth op 28 februari 1824 met Maria Ida Diederen, geboren te Vaesrade (gemeente Nuth), gedoopt te Nuth op 14 augustus 1788, overleden te Amby op 8 maart 1864, dochter van Petrus Cornelius Diederen en Maria Ida Wustenraedt.

 

Mathijs Linssen en Maria Ida Diederen zijn zeer waarschijnlijk het molenaarsechtpaar dat tussen 1825 en 1832 in de Onderste Molen in Schinveld heeft gewoond. Van Bussel [pag.297] vermeldt dat molenaar Dortrans (=Dortants) de molen bij akte van 28 december 1825 heeft verkocht aan Math Linssen uit Berg (en Terblijt). Linssen bleef zeven jaar molenaar en verkocht de molen bij akte van 26 januari 1832 aan Jan Joseph Dohmen te Schinveld.

Mathijs Linssen en Maria Ida Diederen hebben drie kinderen gekregen, één in 1825 in Berg en Terblijt, één in 1827 in Schinveld en één in 1836, alweer in Berg en Terblijt. Dit past goed bij de periode die ze verondersteld worden in de Onderste Molen in Schinveld te hebben gewoond.

 

Kinderen van Mathijs Linssen en Maria Ida Diederen:

 

-                Pieter Linssen, geboren te Berg en Terblijt op 5 januari 1825, overleden te Berg en Terblijt op 19 januari 1825.

-                Nn Linssen, doodgeboren te Schinveld op 20 juni 1827.

-                Jan Mathijs Linsen, geboren te Berg en Terblijt op 19 november 1836, overleden te Amby op 19 december 1923, trouwde te Beek(Li) op 14 januari 1867 met Leonida Elisabeth Wijnen, geboren te Vroenhoven [België] circa 1843, overleden te Amby op 24 augustus 1925.

 

6  Molenaar Jan Joseph Dohmen

 

zoon van Leonardus Theodorus Dohmen / Damen en Maria Helena Bex, gedoopt te

Schinveld op 6 februari 1792, overleden te Schinveld op 22 februari 1871, trouwde te

Merkelbeek op 19 oktober 1816 met Maria Elizabeth Paulissen, gedoopt te Merkelbeek op

10 september 1793, overleden te  Schinveld op 14 juli 1843, dochter van Joannes

Paulissen en Maria Clara Schoonhovens.

 

Jan Joseph Dohmen kocht in 1832 de Onderste Molen van Mathijs Linssen [Van Bussel pag.297]. Volgens Sjang Diederen [1960] raakte Jan Joseph al spoedig verwikkeld in een procedure met de familie Beckers (van het Schinvelder Huuske) over het eigendom van de dam/dijk rondom de molenvijver, waar zware Canadassen op stonden. Deze procedure heeft jaren geduurd en volgens Sjang’s groottante Marleene (Maria Helena, dochter van Jan Joseph) “een schoot vol geld gekost”. De procedure is uiteindelijk gewonnen door Jan Joseph, omdat zijn advocaat met een voorbeeld uit de praktijk, namelijk met een soepbord, aan de rechtbank duidelijk maakte, dat een vijver geen vijver zou zijn zonder dam/dijk er om heen.

Toen de Onderste Molen werd gebouwd werd bij de molen een "wijer" (molenvijver) aangelegd. Hierdoor steeg stroomopwaarts het waterpeil in de beek, zodat er "in den Duker" - een flink eind stroomopwaarts - een brug over de beek moest worden gebouwd door de bouwer van de molen, P.A.Bex. In 1837 moest die brug hersteld worden en het Schinveldse gemeentebestuur eiste dat herstel van de toenmalige eigenaar van de molen, Jan Joseph Dohmen. Deze weigerde en het gemeentebestuur daagde hem voor het gerecht en deed dat in het Belgische Tongeren, dit omdat van 1830 tot 1839 ook Nederlands Limburg zich beschouwde als onderdeel van het nieuwe land België. De rechtbank stelde het gemeentebestuur in het ongelijk. Dohmen vroeg toen aan de Provinciale Raad te Hasselt in België om de gemeente te dwingen de kosten te betalen die hij voor dit proces had moeten maken. Het gemeentebestuur echter weigert te betalen als de Gedeputeerde Staten van Hasselt, op advies van de Districtscommissaris van Maastricht, de gemeente hiertoe verplichten. De zaak komt in hoogste instantie bij de Belgische Koning. Op 20 september 1839 ontvangt het gemeentebestuur van Schinveld de beslissing van de Koning, gesteld in het Frans: "Nous, Leopold, premier Roi des Belges etc. etc.” Kort in het Nederlands samengevat: Wij, Leopold, eerste Koning der Belgen, bevelen dat de gemeente Schinveld binnen 48 uur de kosten moet betalen of anders met alle rechtsmiddelen daartoe zal gedwongen worden [Bosch pag.297].
Scherpenzeel [1870] zegt over de bovenbeschreven affaire dat de molenaar Dohmen in een juridische procedure verwikkeld raakt met de toenmalige burgemeester Gabriel Beckers, die door Dohmen wordt gewonnen en de gemeente 1320 fr. gekost heeft.
Burgemeester Beckers is de zoon van Jan Beckers die de "Bovenste Molen" in Schinveld gepacht had [Bosch pag.165] - de concurrent toen van de "Onderste Molen" - en die als pachter in de "Hof ter Heide", later "Schinvelder Huuske" genoemd, woonde [Van Bussel pag.295].
Scherpenzeel [1870] noemt Jan Joseph Dohmen "een zeer achtbaar en edelmoedig heer, die steeds als raadslid, gedurende lange jaren, met alle kracht het welzijn der gemeente behartigde en zich altijd en overal als de gezworen bestrijder der Beckers' (later pastoor's) partij onderscheidde", dit in tegenstelling tot zijn zoon, Jan Mathijs Dohmen, die "een geheel ontaarde zoon van zijnen vader" genoemd wordt. Zie voor de redenen van deze uitval naar Jan Mathijs Dohmen de informatie bij Jan Mathijs verderop. Scherpenzeel zelf was zéér anti burgemeester Beckers en zéér anti de latere pastoor Joors.

Volgens de Belgische wet hadden alleen de zogenaamde notabelen stemrecht. Dat waren grondbezitters die jaarlijks minstens f.15,- grondbelasting betaalden. In Schinveld waren dat er 31 in 1836. Jan Joseph Dohmen was daar in 1836 de voornaamste van, met

f. 96,15 grondbelasting [Bosch pag.268]. Dat hij tot de Schinveldse notabelen gerekend werd blijkt uit het navolgende. In 1852 vergezelt Jan Joseph burgemeester J.P.Buysers naar de graaf d'Ansembourg in Amstenrade om de graaf duidelijk te maken dat niet hij maar de gemeente Schinveld eigenaar is van het Vosbroek [Scherpenzeel 1870]. Ook werd Jan Joseph samen met burgemeester Buijsers door de gemeente Schinveld aangewezen om mee te doen aan het kiezen van afgevaardigden voor de Nationale Vergadering van de Duitse Bond in Frankfurt am Main, waar het Hertogdom Limburg (de latere provincie Limburg) tot 1868 lid van was [Bosch pag.39].

Na het overlijden van Jan Joseph in 1871 zette zijn zoon Jan Antoon Dohmen de exploitatie van de Onderste Molen voort.

 

Kinderen van Jan Joseph Dohmen en Maria Elizabeth Paulissen:

 

-                Maria Helena (Marleene) Dohmen, geboren te Schinveld op 15 november 1817, overleden te Schinveld op 9 april 1863.

-                Joannes Antonius Dohmen, voor vervolg zie 7.

-                Maria Clara Dohmen, voor vervolg zie 8.

-                Nikolaas Joseph Dohmen, geboren te Schinveld op 20 september 1824, overleden te Schinveld op 21januari 1845.

-                Christianus Josephus Dohmen, geboren te Schinveld op 27 augustus 1827, overleden te Schinveld op 26 mei 1828.

-                Joannes Mathias (Mathieu) Dohmen, voor vervolg zie 9.

-                Martinus (Martin) Dohmen, voor vervolg zie 10.

-                Christianus Josephus (Christiaan) Dohmen, voor vervolg zie 11.

-                Nn Dohmen, doodgeboren te Schinveld op 5 juli1838.

-                Johannes (Jan/Jean) Dohmen, voor vervolg zie 12.

 

7  Molenaar Jan Antoon Dohmen,

 

zoon van molenaar Jan Joseph Dohmen en Maria Elizabeth Paulissen, geboren te Schinveld op 19 januari 1819, overleden te Schinveld op 8 augustus 1880, trouwde te Schinveld op 7 mei 1851 met Anna Elizabeth Verhooren, geboren te Oudewater op 30 augustus 1829, overleden te Schinveld op 30 mei 1880, dochter van Henricus Verhooren en Maria Agnes Scheuvens.

 

Jan Antoon Dohmen werd in 1871 eigenaar van de Onderste Molen [Van Bussel pag.297].

Tussen Jan Antoon Dohmen en zijn vader Jan Joseph enerzijds en de toenmalige pastoor Joors (1857-1877) van Schinveld anderzijds ontstond er onenigheid over de beek. Er lagen in die tijd in Schinveld bijna geen bruggen over de beek. De oevers waren zo laag en het water zo ondiep dat men ook op de "Plats" (= het plein voor de kerk) droogvoets over een paar stenen dwars door de beek kon gaan, bijvoorbeeld om de kerk te bereiken. Molenaar Dohmen had een nieuw molenrad laten maken, maar daarvoor moest de beek uitgediept worden. Het gevolg was dat het niet meer mogelijk was droogvoets de beek over te steken. Gedupeerden deden hun beklag bij de pastoor en deze maakte de zaak aanhangig bij de justitiële autoriteiten. Toen bleek dat het molenrad volgens de wet te groot was verloor Dohmen het proces, natuurlijk niet tot zijn genoegen. Toen vervolgens met Pasen volgens oud gebruik de meid van pastoor paaseieren kwam ophalen zei de molenaar dat hij geen eieren had met de woorden: "De heunderkes hubbe de eier in de baek gelag" [Bosch pag.68].
Volgens Scherpenzeel [1870] speelt deze kwestie in 1858. Hij vertelt het verhaal als volgt: "In de beek voor de pastorij had zich eene kleine zandbank gevormd, waardoor het onderwater des molens van Dohmen in zijnen geregelden afloop verhinderd werd. Het gemeentebestuur ontbied dus eenige werklieden om de beek op dat punt te zuiveren. Nu verschijnt de pastoor op eenmaal en begint de werklieden, vooral Antoon Dohmen, zoon van den molenaar Dohmen, op zulke ruwe manier te bejegenen, dat zij in haast het werk verlaten, vreezende in den kerkelijken ban geslagen te worden, bij alsdien zij nog continueerden. Het gezag van den inspecteur der buurtwegen, alstoen den heer Cremers te Bingelrade, moest ingeroepen worden. Deze heer geeft dan ook de noodige bevelen de beek voor de pastorij behoorlijk te zuiveren. De zaak was tot dusverre afgehandeld, maar de molenaar Dohmen en de heer pastoor hadden doch nog niet afzonderlijk hunne rekening vereffend. Eenige weken later gaat de meid van pastoor hare bedelaarsronde voor de paascheieren doen. In den molen gekomen, zegent zij het gebouw en geeft vervolgens hare zending te kennen. De molenaar bedankt haar zeer vriendelijk voor het goede, dat zij de molen wenscht, en verzoekt haar verder den eerwaarde heer pastoor te groeten en hem tevens te zeggen dat de hennen van den molenaar Dohmen hare eiers in de beek voor de opvaart van de pastorij leggen... De meid maakt rechtsomkeer en vergeet, bij haar vertrek, den molen te zegenen zoals gebruikelijk..."
.

Volgens zijn kleinzoon Sjang Diederen [1960] kreeg molenaar Jan Antoon Dohmen ook bekendheid met het verdrijven van kiespijn.

Na de dood van Jan Antoon zetten zijn ongehuwde broers Jan Mathijs (Mathieu) en Christiaan de exploitatie van de Onderste Molen voort.

 

Kinderen van Jan Antoon Dohmen en Anna Elizabeth Verhooren:

 

-                Maria Agnes Dohmen, geboren te Schinveld op 29 augustus 1853, overleden te Schinveld op 27 november 1853.

-                Franciscus Henricus Josephus Dohmen, geboren te Schinveld op 19 februari 1855, overleden te Schinveld op 30 december 1857.

-                Maria Agnes (Mieeke) Dohmen, voor vervolg zie 13.

-                Maria Clara Philomena Dohmen, geboren te Schinveld op 6 februari 1859, overleden te Schinveld op 2 maart 1859.

-                Johannes Franciscus Antonius (Antoon) Dohmen, voor vervolg zie 14.

-                Maria Philomina Paulina Dohmen, geboren te Schinveld op 29 juni 1863, overleden te Schinveld op 7 september 1863.

-                Joannes Mathias (Mathieu) Dohmen, geboren te Schinveld op 8 april 1865, overleden te Schinveld op 31 mei 1880. Hij was verstandelijk gehandicapt, "zwakzinnig", zegt Jean Diederen [1960].

-                Maria Paulina Dohmen, voor vervolg zie 15.

 

8  Molenaarsdochter Maria Clara Dohmen

 

dochter van molenaar Jan Joseph Dohmen en Maria Elizabeth Paulissen, geboren te

Schinveld op 6 november 1821, overleden te Sittard op 7 december 1903, trouwde te

Schinveld op 21 oktober 1846 met Hendrik Joseph Crijns, geboren te Vaals op

29 september 1819, van beroep "Kaartzenmecker", overleden te Sittard op

8 september 1873.

 

Hendrik Joseph Crijns en Maria Clara Dohmen bezaten een kaarsenfabriek in Sittard. Die was gelegen aan de zuidzijde van de Markt in de westelijke hoek [bron "Sittard in oude ansichten"]. Op 20 oktober 1870, bij akte voor notaris Willem Nijst te Sittard, heeft Hendrik Joseph zijn vrouw tot zijn "algemene en bijzondere gemagtigde" benoemd, "generalijk om al hunne zaken te beheren en te besturen en zulks niet alleen de gewone burgerlijke, maar ook de zoodanige welke betrekking hebben tot zijn handelshuis, zoowel degene, welke hun beiden betreffen, als de zoodanige, welke ieder hunnen in het bijzonder aangaan. etc" Hendrik Joseph kon deze akte zelf niet meer ondertekenen "uit hoofde van verlamming in de regten hand".

Waarschijnlijk heeft Clara's broer Martin Dohmen voordat hij gehuwd was, meermalen bij dit echtpaar gelogeerd als hij vanuit Japan waar hij werkzaam was, op verlof was in Nederland. Huisvesting bij dit echtpaar zal aanzienlijk geriefelijker geweest zijn dan bij de familie in zijn ouderlijk huis, de Onderste Molen in Schinveld.

 

9  Molenaar Jan Mathijs Dohmen

 

zoon van molenaar Jan Joseph Dohmen en Maria Elizabeth Paulissen, geboren te Schinveld op 24 april 1829 en overleden te Schinveld op 17 augustus 1894.

 

Na een boedelscheiding in 1878 werd Jan Mathijs / Joannes Mathias Dohmen, eigenaar van de molen. Mede-eigenaar werd zijn broer Christiaan Joseph Dohmen [Van Bussel pag.297]. Jan Mathijs was van 1861 tot 1894 lid van de gemeenteraad, waarvan een aantal jaren ook wethouder, te Schinveld [Bosch pag.165 en 166].
Sjang Diederen [1960], van wie Jan Mathijs een oudoom is, vertelt het volgende verhaal: “Mathieu (zo werd Jan Mathijs ook wel genoemd) had veel omgang met de toenmalige burgemeester Gabriël Beckers van Schinveld. Samen dronken zij nogal wat borrels. In het café van Offermans, gelegen op de hoek Brunssummerstraat/Merkelbekerstraat, stond een leunstoel van de burgemeester en daar werd op geregelde tijden gebitterd. Het bitteren duurde vrij lang en als oom Mathieu rond een uur of twee namiddag naar huis ging (naar de Onderste Molen) en men hem dan al van verre zag aankomen, klonk het prompt: "Oom Mathieu heeft weer een vlieg in het oog". In 1894 stierf oom Mathieu. Dit was voor de kinderen van zijn nicht Mieeke (Maria Agnes Diederen-Dohmen) een groot verlies. Ik, die met mijn tien jaren de oudste was, kreeg met Nieuwjaar steeds 1 Mark van hem. Na mijn zenuwachtige Nieuwjaarswens zei hij volgens traditie: "Noe mot ich 'ns goa kieke wat de botter giljt" en tastte diep in de beurs. Ik kreeg dan 1 Mark, wat in die tijd een fortuin was.”
Jan Mathijs wordt door Scherpenzeel [1870] "een geheel ontaarde zoon van zijn vader" genoemd, "een man zonder principen, maar een dwarsboomer overal en altijd (par principe)". Scherpenzeel onderbouwt dat als volgt. Jan Mathijs hoorde aanvankelijk tot de (anti-pastoor Joors-)partij van burgemeester J.P.Buijsers, net als Scherpenzeel zélf. Jan Mathijs liep echter over naar de pastoorspartij, in de hoop dan wél wethouder te worden. De burgemeester immers onthield hem zijn stem bij de wethoudersverkiezing omdat hij, Jan Mathijs, een nieuweling in de gemeenteraad was. De burgemeester deed dat met de woorden: "men moet eerst koelkop zijn, eer men kwakkert wordt". Scherpenzeel vertelt ook dat in 1865 een loterij georganiseerd wordt tot instandhouding van de "harmoniesocieteit", maar dat Jan Mathijs een van de zeer weinigen was die daar niet aan meededen, dit in tegenstelling tot zijn broer Martin, die 15 loten kocht. Martin was toen kennelijk over uit Japan, waar hij werkzaam was. Scherpenzeel betitelt Jan Mathijs Dohmen nog een keer als pastoorsman, omdat hij als stemopnemer een raadsverkiezing in 1869, die in het voordeel van de burgemeesterspartij dreigt uit te vallen, vervalst verklaart. Een van de kandidaten van de burgemeesterspartij is Scherpenzeel zélf en zijn zoon zou de stembusfraude hebben gepleegd, vandaar Scherpenzeel’s uitval. Na de dood van Jan Mathijs in 1894 zette zijn broer Christiaan Joseph de exploitatie van de Onderste Molen voort.

 

10  Molenaarszoon Martin Dohmen,

 

zoon van molenaar Jan Joseph Dohmen en Maria Elizabeth Paulissen, geboren te

Schinveld op 25 februari 1832, overleden te Aden [Egypte] op 19 februari 1882, trouwde te

Maastricht op 3 april 1866 met Gertrude Valerie Bonhomme, geboren te Maastricht op

25 mei 1837, overleden te Maastricht op 13 december 1883, dochter van Jean Theodore

Napoleon Bonhomme en Maria Francisca Hubertina Klerx.

                

Martin Dohmen werd ook wel de "consul" genoemd. Hij was vanaf 1859 tot 1882 werkzaam in Japan, aanvankelijk in opdracht van de Maastrichtse kristal-, glas- en aardewerkfabrikant Petrus Regout (1801-1878). Aan het verhaal met de titel "Maastrichtse sakeflesjes voor Japan" [auteur Max Wijnen in het Maastrichtse blad "De Trompetter/De Maaspost" van woensdag 24 november 2010 pag. 52] is het navolgende grotendeels ontleend.
Petrus Regout stuurde twee handelsschepen met producten uit zijn fabrieken naar Japan, één naar Deshima, (een kunstmatig eilandje, ongeveer ter grootte van de Dam in Amsterdam, in de haven van de stad Nagasaki) en een naar Kanagawa (een prefectuur/soort van provincie met als hoofdstad Yokohama, nabij de stad Yedo, het huidige Tokyo). Hij stelde een "raadadviseur over de handelszaken" aan. De geschikte man hiervoor vond hij in de persoon van Martin Dohmen uit Schinveld. Deze kreeg een contract voor drie jaar en moest de door Regout geleverde goederen in Japan op de markt brengen. Verder kreeg hij opdracht om zo voordelig mogelijk retourgoederen zoals goud en koper in te kopen.
Om zijn werk goed te kunnen doen moest Dohmen de aandacht van de handelshuizen van Nederlands Oost-Indië en Japan op Regout’s producten weten te vestigen en een netwerk van relaties opbouwen. Daarom bereidde Regout hem grondig op zijn taak voor en leerde hem alles over de gang van zaken in zijn fabrieken en over de talrijke handelswaren die voor Japan bestemd waren. Van professor Hoffman van de Universiteit van Leiden kreeg Dohmen les in de Japanse en de Chinese taal. In juni 1859 reisde Dohmen naar Batavia en van daaruit naar Deshima. De eerste zending goederen werd hier opgeslagen. De verkoopresultaten waren zo gunstig, dat in november 1859 een tweede zending volgde. Maar al spoedig keerde het tij. In het najaar van 1860 pleegde Dohmen contractbreuk onder andere door een tweede baan aan te nemen, namelijk die vantolk bij de Franse legatie/gezantschap in Edo (=Yedo). In januari 1861 werd Dohmen door Regout ontslagen.
Tot zover ongeveer het verhaal van Max Wijnen over Martin Dohmen.
Over dit ontslag blijven Martin en Regout nog zeker tot 1866 een vinnige discussie met elkaar voeren, zoals blijkt uit de "Open Brief van den Heer Martin Dohmen aan den Heer Petrus Regout, Vader, Maastricht, den 2 Mei 1866" en "Antwoord aan het Pamphlet van Martin Dohmen voor zijn vertrek naar Japan door Petrus Regout, Maastricht, mei 1866”. Martin betoogde dat de door Regout aangevoerde contractbreuk slechts een voorwendsel was geweest voor zijn ontslag. Regout had namelijk ook andere zaken meegestuurd naar Japan, zoals tafelgereedschap ("veel te duur" volgens Martin), brillen ("slecht en verroest, zodat de gemeenste brillenjood in Amsterdam zich zou schamen om daarmee rond te venten"), en boeken ("meer dan nonsens en niet eens voor schuurpapier te plaatsen"). Martin had Regout al meteen na aankomst van de eerste scheepslading in Japan geschreven "toch geene tweede uitzending te doen, omdat uwe goederen onverkoopbaar waren". Dat Regout niet naar Martin had willen luisteren en daarom met een forse schadepost bleef zitten, was volgens Martin de ware reden voor zijn ontslag.
Dat Martin van de Franse legatie werk als tolk bij het consulaat in Kanawaga had aanvaard werd door Regout als contractbreuk beschouwd omdat in het 3-jarig contract dat Regout en Martin in 1859 met elkaar hadden gesloten stond dat Martin in Japan alléén voor Regout mocht werken. Martin bracht hier tegen in dat hiermee alleen maar werkzaamheden bedoeld waren welke Regout zouden kunnen benadelen. Voor het overige toch mocht hij zelf bepalen wat hij in zijn vrije tijd deed, bijvoorbeeld brieven voor het Franse consulaat vertalen. Het kwam tot een proces, waarbij Dohmen gesteund werd door de Franse gezant in Japan. Regout had echter machtige vrienden in Den Haag. De Nederlandse regering verzocht de Franse regering om Dohmen te ontslaan. Toen dat inderdaad gebeurde nam het Engelse gezantschap in Japan Martin in dienst.
Regout probeerde intussen per brief Martin ook zwart te maken bij de Engelse Minister van Buitenlandse Zaken. Succes heeft hij daarmee niet gehad, want Martin heeft in Engelse dienst een goede carrière gemaakt.
Hij werd in 1867 tijdelijk aangewezen als adviseur van de Japanse autoriteiten voor zaken die het bestuur van Yokohama betroffen ("Municipal Director/Governor") [bron Young Japan. Yokohama and Yedo. etc.etc, by John R. Black, vol II pg 96 en 97].
Martin maakte als Engelse vice-consul een rapport over "the trade and other matters of public interrest of this district for the past years", gedateerd Yedo, 15 januari 1872 [in Commercial Reports from her Majesty's consuls in Japan, 1871/72, London, Harrison pg. 51-60]. Meermalen ook wordt hij in andere geschriften van de Engelse diplomatieke dienst in Japan genoemd.
Op 5 december 1876 bijvoorbeeld schrijft Ernest Satow, een collega diplomaat: "Steamer came in late, had to put in somewhere to adjust her engines. The Tigre from China came in about at the same time. I went off to her, and found Martin Dohmen just shoving off to go on shore. We had a few minutes conversation" [in A Diplomat in Japan, part II. The Diaries of Ernest Satow, 1870-1883]. Martin kwam kennelijk terug van een reis naar China. Martin was al eerder in China geweest, want in 1867 wordt hij vermeld in de lijst van "foreign residents in China" [China Directory for 1867, Hongkong, printed by A Shortred & Co].
Op 5 april 1879 wordt in "The Japan Weekly Mail" (pg.421) over hem bericht dat hij is benoemd tot "Acting-Consul and Assistant Judge" in Yokohama en wordt het volgende over hem geschreven: "Few members of the service have had the experience of Mr Dohmen in Japan, and his promotion to this Consulate will be generally welcomed as the just reward of a long public career. For years Mr Dohmen conducted the chief work of the Kanagawa consulate ….., and ably managed the portal business of that office….. A master of the principal European languages, his intercourse with the different nationalities of this community has been easy; and the friends he has formed comprise all those who have made his acquaintance. As a public servant, Mr Dohmen has always been considered one of the most careful, accurate and capable men in the Consular service; whilst his present promotion forms proof of the discharge of his duties to the entire satisfaction of his successive chiefs, at the Consulate and the Legation". Dat de schrijver van dit bericht Martin's kwaliteiten zo uitvoerig belicht dient als verweer tegen kritiek van sommigen op de benoeming van Martin. Deze kritiek betrof Martin's optreden in 1868 als "Municipal Governor" in Yokohama en een beslissing ("judgment") door Martin in 1875 in Tokyo genomen.
Op 16 maart 1881 is Martin als "Her Majesty's Acting Consul at Kanagawa" voorzitter van een maritieme rechtbank die de oorzaak van de ondergang onderzoekt van het schip de "Ella Beatrice" voor de Japanse kust [Wreck Report for "Ella Beatrice",1881].
Op 21 maart 1866 stellen Martin en zijn aanstaande echtgenote te Maastricht [bij notaris Dumoulin] hun huwelijkse voorwaarden op. Martin wordt bij die gelegenheid omschreven als "geëmployeerde bij het Britisch Gezantschap in Japan, laatst gedomiliceerd te Maastricht, thans verblijf houdende te Sittard" (waarschijnlijk bij zijn zuster Maria Clara Crijns-Dohmen). De akte vermeldt "eene som van dertig duizend gulden Nederlands, welke door den comparant bruidegom ter huwelijk zal worden aangebragt". De a.s. bruidegom was toen kennelijk een vermogend man. In de akte wordt de vader van Martin, Jan Joseph Dohmen, aangeduid als grondeigenaar te Schinveld. Grondeigenaar zijn was toen belangrijk, dan was je “notabel” en had je stemrecht [Bosch pag.268].
Regout verhaalt in zijn pamflet tegen Martin dat toen Martin (voor het eerst) naar Japan zou vertrekken hij hem had verzocht ".. zijn vader die te Schinveld woonde, eens bij mij te brengen, wijl het mij aangenaam zou zijn hem te kennen en hem later van tijd tot tijd te zien, om hem iets over zijn zoon mede te delen, wanneer ik berigten uit Japan ontving. Dohmen bragt echter zijn vader niet bij mij, en toen ik daarop aandrong, zeide hij: het is maar een kleine molenaar, wat zou hij in de stad doen. Mijn verder aandringen bleef zonder gevolg".
Op 4 mei 1866 vertrekt Martin weer naar Japan.
Petrus Regout vermeldt in 1866 dat Martin zich bij zijn huwelijk heeft opgegeven als "Japansch Secretaris bij het Engelsch Gezantschap".
In 1878 was Martin Dohmen nog vice-consul van Engeland wonende te Yedo, Keizerrijk Japan, zoals Martin op 12 augustus 1878 te Maastricht, waar hij met verlof was, in zijn in het Frans opgestelde testament [bij notaris Dumoulin] laat vermelden. In het testament staat ook dat hij toen genaturaliseerd Engels onderdaan was. In het testament van Martin's echtgenote van 13 mei 1882 [bij notaris Dumoulin], Martin was toen al overleden, staat dat Martin cónsul van Engeland te Yedo was.
Bosch [pag.69-70] zegt dat in 1861 de Engelse consul te Nagasaki Martin tot tolk benoemt en dat Martin in 1868 consul-generaal van Engeland en Oostenrijk te Yokohama werd. Het is niet duidelijk hoe dit zich verhoudt tot wat Martin zélf in 1878 in zijn testament over zijn functie in Japan zegt.
Ook volgens Bosch [pag.69] heeft Martin aan de kerk van Schinveld een blauwe turkooizen Japanse rozenkrans geschonken, die lange tijd heeft gehangen op het O.L.Vrouwe-altaar.
Martin overleed in 1882 op zee tijdens zijn verlofreis vanuit Japan naar huis. Hij werd begraven in Aden bij de ingang van de Rode Zee. Hij was al niet gezond toen hij uit Japan vertrok. Sir Ernest Satow schreef op 5 januari 1882 aan collega diplomaat W.G. Aston: "Martin Dohmen is not going for another fortnight, because though better, he does not feel equal to undertaking the voyage at present. There is very little chance of his coming back to Japan, I imagine, and we may safely look upon him as shelved. The only rival then is Enslie..". Op 29 november 1881 schreef hij al in een eerdere brief: "...if poor old Dohmen has to go home..... it seems probable that Enslie would be appointed to act at Yokohama in that case". Er werd dus al vooruit gekeken naar de kansen die Martin's vermoedelijk definitieve vertrek uit Japan bood aan collega's die hogerop wilden. Als voetnoot bij een brief van Satow aan Aston van 8 april 1882, tenslotte, staat dat Martin Dohmen overleed in Aden op 19 february 1882 [bron: Sir Ernest Satow's Private Letters to W.G. Aston and F.V.Dickins. The correspondence of a Pioneer Japanologist from 1870 to 1918, pg.66, 68 en 75].
Scherpenseel [1870] noemt Martin "Schinvelds grootste zoon, thans consul in engelsche dienst te Kanawaga in Japan"
.
Martin’s vrouw
Gertrude Valerie Bonhomme woonde voor haar huwelijk in de Witmakerstraat te Maastricht, bij haar moeder, die toen al weduwe was [bron akte van Huwelijkse Voorwaarden van 21 maart 1866 bij notaris Dumoulin te Maastricht]. Een nicht van Gertrude was getrouwd met een zoon van Petrus Regout, waardoor Martin een aangetrouwde neef was van een zoon van zijn grote opponent.

Er zijn geen aanwijzingen dat Martin's vrouw ook in Japan geweest is, hetgeen doet vermoeden dat zij tijdens hun huwelijk niet veel tijd samen hebben doorgebracht. De testamenten van beide echtelieden suggereren toch dat zij meerdere kinderen hadden, maar die zijn tot op heden niet gevonden, behalve dochter Valerie Hortense Jenny. Gertrude woonde ten tijde van het opmaken van haar testament in de Groote Looyerstraat te Maastricht. Zij was toen al weduwe.

In haar testament bepaalt ze het volgende: "Ik benoem mijn zwager, den heer Jean Dohmen, koopman, wonende te Luik, tot voogd over diegenen mijner kinderen, die bij mijn dood nog minderjarig zullen zijn". Zij sterft in 1883, dat is 17 jaar nadat ze met Martin trouwde. Daarom zullen al haar eventuele kinderen toen nog minderjarig geweest zijn. Misschien zijn deze kinderen na hun moeder’s overlijden verhuisd naar hun voogd, oom Jean in Luik.

 

11  Molenaar Christiaan Joseph Dohmen

 

zoon van molenaar Jan Joseph Dohmen en Maria Elizabeth Paulissen, geboren te

Schinveld op 8 mei 1834, overleden. te Sittard op 1 november 1912.

 

Christiaan Joseph werd in 1878 na boedelscheiding mede-eigenaar van de molen, samen met zijn broer Jan Mathijs Dohmen [Van Bussel pag.297]. Na de dood van Jan Mathijs in 1894 zette  Christiaan Joseph het bedrijf voort. De resultaten van Christiaan’s molenaarschap waren echter zeer slecht. Er moesten steeds meer eigendommen worden verkocht om het jaarlijkse exploitatietekort te dekken. De huishoudster, Catharina Mevissen (1837-1915) “werkte dapper mee aan het deficiet”, aldus Sjang Diederen [1960]. Drie of vier van haar familieleden vormden het personeel van de molen en de bijbehorende boerderij. In 1898 wordt Christiaan Joseph door toedoen van de hypotheekhouders - de families van zijn broers Jean en Martin Dohmen die in België (Brussel, Antwerpen en Luik) woonden -  gedwongen de exploitatie van het bedrijf over te geven aan Andreas Adamus Diederen, de man van zijn nichtje Maria Agnes Dohmen [Sjang Diederen 1960]. Dit is misschien de reden dat op 31 maart 1898, des middags om 12u op verzoek van Christiaan Joseph Dohmen, een openbare veiling en verkoping plaatsvindt "van meubelen en levende haven voornoemde verzoeker toebehorend en zich in zijn woonhuis te Schinveld bevindend". Het betreft onder andere zeer veel huishoudelijke artikelen, meubelen, beddegoed, landbouwwerktuigen, een koe, een rund en vier scheutelingen (=grotere biggen/jonge varkens). Andries Diederen, de man van zijn nichtje Maria Agnes Dohmen koopt nogal wat huishoudelijke artikelen [bron notaris Lienaerts te Merkelbeek 1898 akte 77].

 

Christiaan wordt de "keizer" en de "zouaaf" genoemd. Hij was pauselijk zouaaf, de enige uit Schinveld. Na een oproep van de Paus om deel te nemen in het pauselijk leger teneinde de Kerkelijk Staat te verdedigen tegen Garibaldi meldden zich zo'n 5000 katholieke vrijwilligers uit Nederland, waaronder Christiaan. Bosch [pag.69] schrijft dat Christiaan de medaille van verdienste kreeg wegens het deelnemen aan de slag bij Mentana in 1867. In deze slag werd Garibaldi, die de Kerkelijke Staat wilde veroveren om Italië tot één groot koninkrijk te verenigen, verslagen. Volgens het Zouavenmuseum in Oudenbosch (informatie verkregen in 2012) echter, heeft Christiaan niet aan de slag bij Mentana deelgenomen. Hij werd immers pas op 25 november 1869 als zouaaf ingeschreven en heeft vervolgens vanaf 1 december 1869 gedurende ongeveer 9 maanden in Rome verbleven. Hij heeft toen wél het beleg en de val van Rome op 20 september 1870 meegemaakt. Met de val van Rome kwam een einde aan de Kerkelijke Staat. Op 21 september 1870 werd het pauselijk leger ontbonden en de zouaven werden krijgsgevangen gemaakt. Binnen een week echter werden zij op de trein naar huis gezet. In oktober 1870 keerden de zouaven in hun woonplaatsen terug en werden als helden ingehaald. Christiaan was ingedeeld als zouaaf 2de klasse 3de bataljon 5de compagnie. Zijn inschrijvingsnummer in Rome was 9518 [informatie verkregen van Zouavenmuseum te Oudenbosch].
De meeste zouaven werden eerst gekeurd in Brussel en daar geregistreerd. Vervolgens trokken ze via Parijs naar Marseille, vanwaar ze per schip naar Civitavecchia, een havenplaats bij Rome, werden vervoerd. In Rome volgde een tweede, strengere keuring. Daar werden ze opnieuw ingeschreven en ontvingen ze een nieuw inschrijvingsnummer. Christiaan werd in Brussel als zouaaf ingeschreven onder inschrijvingsnummer 4588 op 25 november 1869. Het "Feuille d'Enrôlement" dat toen werd opgesteld en dat vermeldt dat "Crétien Joseph Dohmen.. a été admis au service de Sa Sainteté comme simple soldat..pendant deux anées.." (= Christiaan Joseph Dohmen.. is toegelaten tot de dienst van Zijne Heiligheid als gewoon soldaat.. gedurende twee jaren) draagt Christiaan's handtekening [copie verkregen van Zouavenmuseum in Oudenbosch]. De zouaven uit Limburg werden aangeworven via een bemiddelaar, die de toekomstige zouaven heeft aangeraden toestemming aan de Nederlandse koning (Willem III) te vragen om in dienst van de Paus te mogen treden, omdat ze anders hun Nederlands staatsburgerschap zouden verliezen. Christiaan heeft dus zeer waarschijnlijk de Nederlandse nationaliteit behouden. Veel zouaven van buiten Limburg hebben inderdaad wél hun Nederlandse nationaliteit verloren. Bij hun terugkeer konden zij echter binnen circa drie maanden hun staatsburgerschap terugkrijgen. Het duurde dan een maand of drie voor koning Willem III, welwillend als hij was ten opzichte van deze naïeve idealisten, hun verzoek inwilligde.
Ook koningin Emma heeft zich nog met deze verzoeken beziggehouden. In 1947 kregen ook alle overleden zouaven postuum het Nederlanderschap terug. [Deze algemene informatie over de Nederlandse zouaven is ten dele afkomstig uit de publikatie “De pauselijke Zouaven” van J.W.G. Netelbeek, geplaatst op internet op 25 oktober 2005].
Er bestaat een foto van Christiaan in zouavenuniform. Vergelijking met foto's van andere zouaven in het Zouavenmuseum in Oudenbosch laat zien dat veel van die foto's, ook die van Christiaan, tegen dezelfde achtergrond zijn genomen, zeer waarschijnlijk in Rome.
Christiaan werd "de keizer oet de meule" genoemd, omdat hij in de Onderste Molen in Schinveld woonde en keizer was van de Schinveldse schutterij St Eligius. Dat wil zeggen dat hij drie maal achter elkaar schutterskoning was geworden. Er bestaat een medaille met de inscriptie "C.J. Dohmen - Keizer - 1850". Aangezien Christiaan in 1834 geboren is betekent dat dat hij al op 16-jarige leeftijd keizer van de schutterij zou zijn geworden?!.
Sjang Diederen [1960] zegt dat Christiaan goed Krupp van Essen kon imiteren en "het vlees behoorlijk in de pekel hield".
In het "Limburgsch Dagblad" van 22 november 1951 staat een verhaal over Christiaan. De grondslag van dit verhaal is vermoedelijk een interview met zijn achterneefje Sjang Diederen (dezelfde die ook het Historisch Overzicht van de Onderste Molen in 1960 heeft samengesteld), oudste zoon van Christiaan's nichtje Maria Agnes Diederen-Dohmen. Dit verhaal is hieronder kort samengevat. Christiaan zal ongetwijfeld vaak teruggedacht hebben aan wat hij in Rome had meegemaakt. De kerken en heiligdommen van Rome schenen op hem meer indruk te hebben gemaakt dan de strijd tegen Garibaldi. Rond 1950 herinnerden oudere mensen in Schinveld zich van zijn sterke verhalen hoofdzakelijk dat hij het vaak had over de Romeinse kerken en dat hij de meest ongelooflijke dingen vertelde over wonderen welke er in Rome gebeurden. Hij zou ook een voortreffelijk redenaar geweest zijn. Bij de begrafenis in Schinveld van de oude burgemeester Gabriel Beckers was de man die de grafrede zou uitspreken niet te vinden. Geheel onvoorbereid trad Christiaan toen naar voren om een grafrede te houden, die “zo ongelooflijk mooi” moet zijn geweest, dat oudere Schinveldse mensen er nog tientallen jaren later over spraken. Van die dag af werd hij een gezocht grafredenaar en ook bij andere gelegenheden moest hij 't woord doen. Als goed lid der schutterij hield keizer Christiaan van een stevige dronk. En deze stevige dronk eindigde vaak met het zouavenlied. Er waren in Schinveld rond 1950 nog mensen die tekst en melodie van buiten kenden.
"Wij dienen als Zouaven,
wij dienen zonder spijt
voor Zijne Heiligheid
vol moed en vol courage
zo gaan wij naar de strijd.
In de strijd zijn wij gebleven
maar de aanval was te groot.
Vele Garibaldisten zijn gebleven.
zij zijn gebleven in den dood.".
De keizer had een voorliefde voor medailles en eretekenen. Als hij met de schutterij uittrok, in zijn zouavenuniform, dan had hij zijn borst er mee vol hangen. Hij had medailles in alle soorten en maten. Bovenaan hing de pauselijke onderscheiding Bene Merenti (dit is vermoedelijk de medaille van verdienste waar Bosch [1974] over sprak) hem verleend door Paus Leo XIII voor “moedig gedrag” in de strijd in Rome. Ook had hij nog een ereteken waarop rond een grote W stond geschreven: “Voor Koning en Vaderland". Voorts natuurlijk droeg hij de eretekenen van koning/keizer van de schutterij en een stel Duitse eretekenen, welke hij zomaar ten geschenke had gekregen van de Kriegerverein te Gangelt, waar hij steeds een geziene gast was, vooral als hij zijn zouavenuniform droeg.
Eens, toen hij met de schutterij erop uit moest, kreeg zijn achterneefje Sjang Diederen het verzoek: "Jong, steek mich de medailles ens op". Dit achterneefje had enige dagen tevoren tijdens de kermis "mit houwen op t'r loekas" (slaan op de kop van jut) een mooi insigne verdiend, waarop stond „Hätte ich doch nie geliebt". Dit hing hij er ook maar bij, plus enige manchetknopen. En met welgevallen liet de keizer zijn ogen over zijn borst gaan, onwetend van wat daar eigenlijk allemaal hing. Ofschoon de keizer ongetrouwd was en bleef, kon hij met de meisjes, die hij voor het gemak allemaal Wlllemienchen noemde, goed overweg en de meisjes zagen hem graag. Hij trakteerde royaal en als tegenprestatie staken de meisjes hem allerlei medailles op, zodat hij vaak met meer medailles thuis kwam dan waarmee hij was vertrokken. Christiaan verbleef veel op de Breukberg in Schinveld, die daarom ook "de Keizersberg" wordt genoemd. Hij had er een Calvarieberg aangelegd, met op de grond in witte steentjes drie kruisen, omplant met heesters en dennenbomen.
Eens per week ging Christiaan te voet naar Sittard, een afstand van 11 kilometer. Als het regende nam hij het „Zugske" (=treintje) van Gangelt (bij Schinveld) naar Tüddern (bij Sittard). Hij liet zich dan in Sittard scheren en ging daar zijn wapenmakker, de zouaaf Lindeman opzoeken en misschien ook wel zijn zuster Maria Clara Crijns-Dohmen, die een kaarsenfabriek had op de Markt in Sittard. Nadat hij een beroerte had gehad vestigde hij zich voorgoed in het bejaardenhuis te Sittard bij de Zusters aan de Plakstraat, waar hij ook gestorven is
.

 

12  Molenaarszoon Johannes Dohmen.

 

zoon van molenaar Jan Joseph Dohmen en Maria Elizabeth Paulissen, geboren te Schinveld op 17 dec 1839.

 

Hij is als "handelsagent" naar Luik vertrokken; Sjang Diederen [1960] noemt hem "Jean van Luik". Bovendien zegt zijn schoonzuster Gertrude Valérie Dohmen-Bonhomme in haar testament van 13 mei 1882 het volgende: "Ik benoem mijnen zwager, den heer Jean Dohmen, koopman, wonende te Luik, tot voogd over diegenen mijner kinderen, die bij mijnen dood nog minderjarig zullen zijn". Of hij zélf kinderen heeft gehad is niet bekend. Hij leeft nog in 1898, want op 3 december van dat jaar laat hij, “Johannes Dohmen, industrieel wonende te Luik" via een gemachtigde alle onroerende goederen die hij in Schinveld bezat (een vijftal stukken grond) publiek verkopen.

 

13  Molenaarsechtpaar Maria Agnes Dohmen en Andreas Adamus Diederen

 

Maria Agnes Dohmen, dochter van Jan Antoon Dohmen en Anna Elizabeth

Verhooren, geboren te Schinveld op 19 oktober 1856, overleden te Sittard op

4 september 1930, trouwde te Schinveld op 3 mei 1879 met Andreas Adamus Diederen,

geboren te Schinveld op 21 september 1848, molenaarsknecht, schrijnwerker, landbouwer,

molenaar, overleden te Schinveld op 28 november 1906, zoon van Peter Nicolaas

Diederen, dienstknecht, akkerbouwer, molenaarsknecht en Maria 

Catharina Reijnders.

                

De voornaamste bron van onderstaand verhaal is Sjang Diederen [1960 Historisch Overzicht van de Watermolen de Onderste Molen te Schinveld] de oudste zoon van Maria Agnes en Andreas Adamus. Van zijn hand is ook een "Levensbeschrijving van J.Diederen te Nuth”.

Het echtpaar Diederen-Dohmen vestigde zich na hun trouwen aan de Heidestraat in Schinveld en beheerde daar een boerderijtje. In 1893 steeg bij een watersnood het water in de woning in de Heidestraat tot een hoogte van 1 meter [bron Levensbeschrijving van J.Diederen te Nuth]. Andreas kende als goed timmerman ook het vak van molenmeester en onderhield zowel de Onderste als de Bovenste Molen in Schinveld. In 1898 pachtte hij de Onderste Molen. Hij was echter in de winter van 1897-1898 zo zwaarmoedig en pessimistisch door en over deze stap dat hij zich onder doktersbehandeling moest stellen.
Op 15 maart 1898 verhuizen ze naar de Onderste Molen en nemen de exploitatie van de graanmolen en de oliemolen ter hand. De eerste klant was een zekere Stijfs uit Douvergenhout, die een vat roggemeel kwam halen voor 32 grosschen. “De oliemolen draaide en de stampers zongen van pamperdepam", aldus Sjang Diederen [1960], die het als 14-jarige zoon allemaal meemaakte. Daarnaast hielden Andreas en Maria Agnes ook nog hun landbouwbedrijf aan.

Sjang Diederen vertelt dat boeren uit Schinveld en omliggende dorpen met kruiwagens, honden- en paardenkarren graan kwamen brengen en vaak tot laat in de nacht op het meel bleven wachten. Om de tijd te doden vertelde men elkaar enormiteiten over spoken en heksen met als gevolg dat de aanwezige bang geworden jongeren niet meer alleen in het donker naar buiten durfden te gaan. Ook de jonge Sjang Diederen zelf werd dan zó bang dat hij ’s avonds voor het naar bed gaan zijn plasje niet buiten op het erf deed – de W.C. was immers helemaal achter in de tuin, circa 60 m van het woonhuis verwijderd – maar door een spleet in de uit 1771 stammende voordeur.” Jean was in die jaren kennelijk nogal bang aangelegd. In 1896 immers maakte hij bij een bord “Levensgevaarlijke Helling” te Vaesrade rechtsomkeert, samen met zijn zus Trieneke [bron Levensbeschrijving J.Diederen te Nuth].

Rond 1898 was de molenvijver rijk aan vis. Omdat als bijverdienste ganzen werden gefokt, was de vijver vaak het toneel van gevechten tussen de grote mannetjesdieren. In de winter was de bevroren vijver een mooie ijsbaan met druk vertier. In 1907 [bron Levensbeschrijving J.Diederen te  Nuth] werd de molenvijver, die toen een halve hectare groot was, gedempt en verdwenen met de vissen ook de waterhoentjes, meerkoeten, ijsvogels en otters.

De molen werd in 1904 voor fl.7000,- aangekocht van de ooms Dohmen van Maria Agnes. Andreas kon direct fl.1000,- betalen, de rest was een hypothecaire lening. Omdat er onder de meest gunstige omstandigheden jaarlijks geen hogere winst dan fl.1000 tot fl.1200 kon worden voorzien, heeft deze aankoop Andreas veel slapeloze nachten bezorgd.

Het eerste vervoermiddel was een zogenaamde koewagen op vier wielen en bespannen met drie koeien of twee koeien en een os. Vanaf 1904 werden de klanten bezocht met paard en wagen. Het eerste paard, een oud grijs paard, bleek na aankoop al veel ouderdomsgebreken te vertonen. Het tweede paard, een bruine merrie, schopte en beet en weigerde zelfs licht werk. Pas het derde paard, gekocht bij de famile Lowis in Hillensberg, was ideaal.

De keuken van de molen was het woonvertrek, met een vloer van kiezelspecie vol met gaten. De grote schouw in de keuken bood plaats aan drie personen en was de lievelingszitplaats van oom Christiaan, die deze plek “het kippenhok” noemde. Oom Christiaan, de schuttekeizer en zouaaf, was bij zijn nichtje en haar man blijven inwonen. In het kleine kamertje naast de keuken was de olie-bergplaats, waar raapolie per liter werd verkocht.

Bij het weghalen van zaad uit de kollergang van de oliemolen kwam Andreas met twee vingers onder de in beweging zijnde kantstenen ( = vertikaal op de horizontaal liggende steen staande maalstenen) en werden deze vingers zwaar gekwetst.

In strenge winters raakte het grote waterrad van de molen bedekt met een dikke laag ijs. Met breekijzers werd dan het ijs van het waterrad verwijderd. Bij deze werkzaamheden was Andreas bijna verongelukt. Toen het molenrad namelijk voor ongeveer een kwart ijsvrij gemaakt was, draaide het plotseling door, terwijl Andreas geen kans zag zich in veiligheid te stellen. Hij sloeg zijn armen om het rad en ging mee de lucht in, maar kwam toch ook weer ongedeerd naar beneden.

Andreas stierf in 1906 aan typhus, nadat hij met paard en kar meel naar een familie Houtmans op Heringsbosch te Schinveld had gebracht, waarvan de man en vader een week eerder aan typhus was gestorven.
Na het overlijden van Andreas zetten zijn vrouw en kinderen het bedrijf voort. Bij de aangifte van het overlijden van zijn vader gaf Sjang als zijn eigen beroep “molenaar” op. Sjang werd toeziend voogd van zijn drie jongere broers.

Op zijn sterfbed had Andreas zijn oudste zoon Sjang gevraagd er toch vooral voor te zorgen dat de molen niet in vreemde handen zou overgaan. Sjang beloofde dat en jaarlijks werd fl.1000 afbetaald tot de molen in 1911 helemaal was afbetaald.

De nodige verbeteringen in en rondom de Onderste Molen werden in gang gezet. De mestvaalt werd gedempt en in de weiden werden fruitbomen geplant. In de keuken werden de vloer en de wanden betegeld. De kelder werd waterdicht gemaakt. Er werd een gierkelder gebouwd, een dorsmachine met manege gekocht en de oliemolen werd gesloopt.

In 1910 werd een nieuw woonhuis gebouwd aan de Heidestraat. Vermoedelijk gebeurde dit op de plaats van het boerderijtje waar Andreas en Maria Agnes na hun trouwen tot 1898 gewoond hebben. Maria Agnes is op latere leeftijd in dit nieuwe huis gaan wonen. Dit huis kwam later door vererving in het bezit van zoon Antoon. Ze heeft toen ze bejaard was eerst in Douvergenhout in een bejaardenhuis gewoond en daarna in het bejaardenhuis aan de Plakstraat te Sittard, waar ze ook overleden is.

In 1913/14 werd het waterrad vervangen door een waterturbine en werd een houtzagerij gebouwd, die eveneens door waterkracht werd aangedreven. Bij de bouw van de loods voor de houtzagerij werden delen van het gedemonteerde waterrad gebruikt. Van tevoren werd door de zonen Sjang, Joseph en Arnold een telling gemaakt van het aantal kaprijpe bomen in Schinveld en naaste omgeving. Het boerenbedrijf werd geleidelijk ingekrompen toen bleek dat behalve loonzagen ook het zagen van hout voor de verkoop een lonend bedrijf werd en nogal wat bedrijfskapitaal vorderde. “Menige nacht werd besteed aan het zagen van inlands hout. Het geraas van de horizontale zaag klonk aangenaam in de oren en na enig experimenteren zagen de mensen bij ons de zagen zagen zoals ze nog nooit zagen zagen zagen”, aldus Sjang Diederen. Later, als gevolg van toenemende handel en bedrijvigheid, moest ter aanvulling op de waterkracht elektrische energie worden gebruikt.

Maria Agnes echter kon zich slecht verenigen met de toenemende industrialisatie en mechanisatie door haar zonen en voelde meer voor het landbouwbedrijf. Zij stuurde haar zoon Sjang er in 1918 op uit om op een openbare veiling de landerijen van haar broer Anton Dohmen te kopen. Toen Sjang thuiskwam van de verkoop en vertelde dat hij aan haar verzoek maar zeer beperkt gevolg had gegeven, wierp ze woedend een koffiekop aan diggelen.

Bij de boedelscheiding in 1919 werd zoon Christiaan Joseph Diederen eigenaar van de molen. Zoon Arnold Diederen ging bij zijn trouwen in 1921 in een nieuw gebouwd huis wonen naast de Onderste Molen, waar ook de houtzagerij en de houthandel naartoe werden verplaatst. Deze werden voortaan door Arnold geëxploiteerd, met uitsluitend gebruik van elektromotoren. Zoon Sjang Diederen begon na zijn huwelijk in 1919 een graanhandel te Nuth.

 

Kinderen van Maria Agnes Dohmen en Andreas Adamus Diederen:

 

-                Nn Diederen, doodgeboren te Schinveld op 16 maart 1880.

-                Johannes Hubertus Antonius Diederen, geboren te Schinveld op 16 maart 1881, overleden te Schinveld op 4 mei 1881.

-                Maria Catharina (Trieneke) Diederen, voor vervolg zie 15.

-                Jan Michael (Jean/Sjang) Diederen, voor vervolg zie 16.

-                Jan Mathijs Diederen, geboren te Schinveld op 27 oktober 1887, overleden te  Schinveld op 6 november 1888.

-                Maria Hubertina Diederen, geboren te Schinveld op 27 oktober 1887, overleden te Schinveld op 10 maart 1888.

-                Christiaan Joseph (Joeesep/Joseph) Diederen, voor vervolg zie 17.

-                Johannes Arnoldus (Aarnold) Diederen, voor vervolg zie 18.

-                Nn Diederen, doodgeboren te Schinveld op 21 november 1896.

-                Leo Peter Hubertus Diederen, geboren te Schinveld op 29 juni 1898, overleden te Schinveld op 2 juli 1898.

-                Johannes Antonius (Toon) Diederen, geboren te Schinveld op 12 september 1900, ambtenaar ter secretarie van de gemeente Brunssum, overleden te 's-Hertogenbosch op 25 mei 1972, trouwde te Schinveld op 4 juni 1928 zijn achternicht Johanna Antonia Josepha (Fien) Bosch, geboren te Schinveld op 15 april 1902, overleden te Wassenaar op 12 augustus 1977, dochter van Peter Joseph Bosch, burgemeester van Schinveld van 1910 tot 1934 en Maria Elisabeth Dohmen.

 

14  Molenaarszoon Johannes Franciscus Antonius (Antoon) Dohmen,

 

zoon van molenaar Jan Antoon Dohmen  en Anna Elizabeth Verhooren, geboren te

Schinveld op 17 maart 1860, schoolmeester, kerkmeester, burgemeester van Meerssen,

overleden te Roermond op 2 augustus 1925, trouwde te Roermond op 2 juni 1891 met Maria

Jacoba Hubertina Schoenmaeckers, geboren te Houthem op 2 juli 1846, overleden te

Meerssen op 8 mei 1922.

 

Hij was burgemeester van Meerssen van 1909 tot 1924. Hij heeft om gezondheidsredenen in 1924 ontslag gevraagd en gekregen. In Meerssen is (nog in 2013) een Burgemeester Dohmenstraat. Er bestaat van hem een foto uit 1924 waarop hij de ambtsketen draagt. Hij had zelf geen kinderen, zijn vrouw wél, die was weduwe van (haar eerste man), Hubert Jakob Karel Frans Frische, waarmee ze twee zonen had.

 

15  Molenaarsdochter Maria Paulina (Pauline) Dohmen

 

dochter van molenaar Jan Antoon Dohmen  en Anna Elizabeth Verhooren, geboren te

Schinveld op 15 mei 1869, overleden te Haarlem op 6 januari 1944, trouwde te

's‑Gravenhage op 24 juli 1896 met George Cosmas Leo Gerard Jeurgens, geboren te

Bergen (Li) op 8 oktober 1868, overleden te Rotterdam op 23 augustus 1949. Het echtpaar

had drie zonen.

                

Pauline woonde vanaf juni 1937 in Haarlem. Eerder heeft ze waarschijnlijk ook in Delft, Den Haag en Bloemendaal gewoond en gewerkt. Ze leefde al vóór 1914 gescheiden van haar man. Ze kwam wel eens logeren in Schinveld, bij haar familie in de Onderste Molen. Haar achternichtje Mia (Breij)-Diederen, kleindochter van Pauline's zuster Maria Agnes Diederen-Dohmen vertelde over haar oudtante Pauline het volgende verhaal: "Ze woonde in Den Haag en had daar een bontzaak. Ze leefde gescheiden "van tafel en bed" van haar echtgenoot en daar sprak mam (Mia's moeder, de toenmalige molenaarsvrouw Marie Diederen-Gielen) schande van. Oma (Maria Agnes Diederen-Dohmen) en tante Pauline spraken Frans met elkaar, dat hadden ze geleerd bij de Franse zusters (in Schinveld). Tante Pauline was een heel chique vrouw, ze was opgemaakt en droeg een lorgnet. Ze heeft mij voorgedaan hoe je je moet opmaken. Het was de eerste keer dat ik zag hoe je lippenstift moet opbrengen". Mia heeft toen ook lippenstift opgedaan en de reactie van haar moeder was: "het moet niet gekker worden, straks gaan ze zich nog de vot beschilderen".
Haar Schinveldse familie vond tante Pauline een chique vrouw met stadse manieren en uitstraling en een veel lossere levenshouding dan men in Schinveld gewend was
.
Pauline’s man, George Cosmas Leo Gerard Jeurgens
heeft steeds contact onderhouden met de Schinveldse familie van zijn vrouw. Nog in de eerste jaren na de tweede wereldoorlog nam "oompje Jeurgens" zoals hij in de familie genoemd werd, Schinveldse achterneefjes en -nichtjes in zijn grote auto mee voor uitstapjes naar Valkenburg.

                       

16  Molenaarsdochter Maria Catharina (Trieneke) Diederen,

 

dochter van molenaar Andreas Adamus Diederen en Maria Agnes Dohmen, geboren te Schinveld op 17 april 1882, overleden te Heerlen op 31 maart 1945, trouwde te Schinveld op 27 juni 1913 met Lambert Lowis, geboren te Hillensberg [Duitsland] op 1 november 1880, landbouwer, overleden op 19 februari 1953.

 

Het echtpaar woonde te Hillensberg (D). Hun door de ouders gearrangeerde huwelijk is kinderloos gebleven. Toen de geallieerden aan het einde van de 2e wereldoorlog bevel gaven tot evacuering van Hillensberg en omliggende plaatsen mocht het echtpaar met zijn vee en wat andere bezittingen zijn toevlucht nemen bij de familie in Schinveld (bij Trieneke's broers Joseph en Arnold Diederen) in plaats van naar Vught te moeten, omdat beiden immers de Nederlandse nationaliteit bezaten. Trieneke wilde niet meer terugkeren naar Hillensberg toen dat weer mogelijk was. Ze had vernomen dat het interieur van hun boerderij in Hillensberg door gealliëerde soldaten (Engelsen) verwoest was. Ze is in maart 1945 in het ziekenhuis te Heerlen van zwaarmoedigheid gestorven.

 

17  Molenaar(szoon) Jan Michael (Jean/Sjang) Diederen

zoon van molenaar Andreas Adamus Diederen en Maria Agnes Dohmen, geboren te Schinveld op 24 oktober 1884, overleden te Nuth op 13 september 1970, trouwde te Nuth op 8 september 1919 met Maria Josephina Hubertina (Fien) Heijnen, geboren te Nuth op 17 oktober 1894, overleden te Nuth op 18 augustus 1963. Het echtpaar had zeven kinderen.

 

Hij is de schrijver in 1960 van het "Historisch Overzicht van de Watermolen de Onderste Molen te Schinveld, bij gelegenheid van het 60-jarig beheer door de fam. Diederen". Van zijn hand is ook een "Levensbeschrijving: Belevenissen, Gebeurtenissen en Reizen van J.Diederen te Nuth, samengesteld in maart 1945 in de gevangenis te Maastricht en bij zijn 75ste verjaardag op 24 oktober 1959 te Nuth".
Na het overlijden van zijn vader heeft Sjang samen met zijn moeder en broers gedurende een tiental jaren de Onderste Molen annex het bijbehorende landbouwbedrijf geëxploiteerd.

Na zijn huwelijk in 1919 begon hij in Nuth een graanhandel. In de dertiger jaren van de 20ste eeuw bouwde hij een kunstmestmagazijn en een graansilo aan de haven in Stein [bron Levensbeschrijving J.Diederen te Nuth] en zijn bedrijf heette toen “Graan- en Kunstmestbedrijf Het Zuiden” gevestigd te Stein.
In zijn levensbeschrijving schrijft hij als voorwoord: "Van 1945 tot 1951 vocht ik voor mijn recht in een stemming van gekrenkt rechtsgevoel. Ondanks aangedaan onrecht, heb ik moedig doorgewerkt en mijn burgerplicht vervuld. Het recht heeft in 1951 gezegevierd. Door de vrijspraak door de rechtbank te Maastricht volgden schadevergoeding volgens de Wet en rehabilitatie in de kranten".
Zoals hij zelf vermeldt in zijn levensbeschrijving was hij namelijk op 26 september 1944 (een soort van Bijltjesdag na de bevrijding van de Duitse bezetter) in Nuth gevangengenomen door de Nederlandse O.D. (Ordedienst) en op een open vrachtwagen in Nuth rondgereden. Vervolgens zat hij 5 dagen in de gevangenis in Treebeek, 20 dagen in de gevangenis te Maastricht en kreeg hij 3½ maand huisarrest. Een dergelijke behandeling kregen toen Nederlanders die ervan werden beschuldigd met de vijand te hebben geheuld.
Sjang geeft niet aan waarom ook hem een dergelijke behandeling ten deel is gevallen. Hij zou in de oorlog de hulp van de bezettende macht hebben ingeroepen om geld los te krijgen van iemand die hem geld schuldig was, maar die niet kon / wilde betalen. In zijn levensbeschrijving vermeldt Sjang in 1942 "procedure tegen wanbetaler G. Schwartz, hoofd N.S.B. Nuth". Misschien heeft hij inderdaad de Duitse bezetter bij deze procedure betrokken en heeft dit hem de Bijltjesdagbehandeling bezorgd.
Bij vonnis van 3 juli 1951 is hij dus door de rechtbank te Maastricht buiten vervolging gesteld omdat de gerezen verdenking ongegrond bleek
.

18  Molenaar Christiaan Joseph Diederen.

 

zoon van molenaar Andreas Adamus Diederen en Maria Agnes Dohmen, geboren te Schinveld op 4 oktober 1889, overleden te Sittard op 4 april 1968, trouwde te Schinveld op 2 augustus 1918 met zijn achternicht Maria Cornelia (Marie) Gielen, geboren te Schinveld op 22 oktober 1892, overleden te Schinveld op 14 juli 1957, dochter van Hubert Gielen, landbouwer, handelaar in hakhout, kruidenier en Maria Sophia Reijnders.

 

Sedert 1919 was Joseph de eigenaar van de Onderste Molen, na deling door de erfgenamen van Andreas Adamus Diederen en Maria Agnes Dohmen. Hij is lid geweest van het R.K.Kerkbestuur H.Eligius te Schinveld. Hij bezat de eremedaille in zilver van de Orde van Oranje Nassau. Hij was mede-oprichter en later ere-voorzitter van de Schinveldse harmonie St. Caecilia. Als weduwnaar heeft hij de laatste jaren van zijn leven bij zijn oudste dochter, Mia Breij-Diederen, in Sittard gewoond.

De navolgende informatie is hoofdzakelijk afkomstig uit het Familieboek Baggen-Diederen [2008]. Joseph is in militaire dienst geweest. Hij kreeg echter vaak speciaal verlof omdat hij thuis werkzaam was in de "voedselvoorziening". In die tijd werd nog vaak de petroleumlamp als verlichting toegepast en wekelijks kwam een venter met een handkar met petroleum langs de deur. De venter had een uniform aan dat enigszins leek op een officiersuniform. Joseph kwam in zijn militaire diensttijd in Nijmegen zo'n petroleumventer tegen en dacht dat het een officier was. Strak salueerde hij naar de "officier". Hij moest er later nog vaak om lachen. Hij was een gezellige prater en grappenmaker. Bezoekers aan de molen gingen vaak op de grote automatische weegschaal staan. Joseph wist dan heel geraffineerd met een voet het gewicht te verhogen of te verlagen, tot verwarring van de bezoekers. Hij was een verwoed kaartspeler; mitchen en pandoeren waren zijn lievelingsspelen, die hij speelde met zijn kinderen en schoonzonen terwijl ondertussen de molen doormaalde, vaak tot diep in de nacht.
Joseph’s vrouw Marie was graag van alles op de hoogte. De vele bezoekers aan de molen brachten haar nieuwtjes en voor nadere informatie pakte ze de fiets en ging in het dorp Schinveld achter het nieuws aan. Als diepgelovig katholiek stonden bedevaarten regelmatig op haar programma, zoals naar Kevelaar, Boxmeer, Banneux en Lourdes. Met haar man ging ze in 1950 naar Rome. Belangrijke dagelijkse bezigheden van haar waren het onderhouden van contact met de klanten in de molen en het bezemen van de molenvloer en het erf. Na de bevrijding in het najaar van 1944 kwamen de Amerikanen met tanks het erf opgereden. Marie hield met haar bezem de tanks tegen en voorkwam zo beschadiging van de trottoirs. In 1957 stierf ze op 64-jarige leeftijd aan een hartaanval terwijl ze vanuit een personenauto keek naar de optocht van muziekkorpsen die defileerden ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Schinveldse harmoniegezelschap St. Cecilia, waaraan ze zeer verknocht  was.

Met de komst van de Staatsmijn Hendrik en de groei van de bevolking in het naburige Brunssum, ging het water van de Rode Beek gebruikt worden in de kolenwasserij van de staatsmijn Hendrik en diende de beek als open riool.

In de loop der jaren ging men in de molen elektromotoren als bijkracht gebruiken en tot in de jaren 1950/60 werd in de molen nog met molenstenen gemalen. In 1964 werden de waterrechten (stuwrechten) door de gemeente Schinveld afgekocht. De Rode Beek werd verlegd en stroomde niet meer langs de molen. In 1973 werd het molenbedrijf helemaal stilgelegd door de laatste molenaars, de zonen Jacques en Nol  van Joseph en Marie Diederen-Gielen.

 

Kinderen van Christiaan Joseph Diederen en Maria Cornelia Gielen:

 

-                Maria Agnes Hubertina (Mia) Diederen, geboren te Schinveld op 17 mei 1919, overleden te Roermond op 28 juni 2008, trouwde te Schinveld op 26 mei 1943 met Gijsbertus Gerhardus (Bertus) Breij, geboren te Wierden op 29 juli 1917, winkelier, overleden te Valkenburg a/d Geul op 6 maart 1995.

-                Jan Michiel Hubert (Jan) Diederen, voor vervolg zie 20.

-                Jacobus Hubertus Andreas (Jacques) Diederen, voor vervolg zie 21.

-                Andreas Hubertus Arnoldus (Nol) Diederen, voor vervolg zie 22.

-                ir Jan Hubert Antoon (Ton) Diederen, geboren te Schinveld op 17 september 1925, landbouwkundig ingenieur; leraar H.B.O., overleden te Heerlen op 11 december 2014, trouwde te Hoensbroek op 19 april 1955 met Maria Theresia Leonie (Mia) Mertens, geboren te Hoensbroek op 31 augustus 1930, onderwijzeres, overleden te Heerlen op 19 februari 2009.

-                Maria Josephina (Fien) Diederen, geboren te Schinveld op 12 april 1927, overleden te Heerlen op 8 mei 2012, trouwde te Schinveld op 6 augustus 1951 met ir Johannes Gerardus (Jan) Baggen, geboren te Schinveld op 24 november 1927.

-                Johanna Antonia Josepha (Jeanne) Diederen, geboren te Schinveld op 11 september 1929, overleden te Heerlen op 27 december 2009, trouwde te Hoensbroek op 19 maart 1952 met Theodorus (Theo) Boosten, geboren te Hoensbroek op 21 februari 1929, eigenaar damesmodezaak, (internationaal) scheidsrechter betaald voetbal, overleden te Heerlen op 14 april 1994.

-                Nn Diederen, doodgeboren te Schinveld op 14 augustus 1932.

 

 

19  Molenaarszoon Johannes Arnoldus (Arnold) Diederen

 

zoon van molenaar Andreas Adamus Diederen en Maria Agnes Dohmen, geboren te Schinveld op 10 januari 1895, overleden te Brunssum op 9 augustus 1975, trouwde te Schinveld op 15 september 1921 met zijn achternicht Maria Hubertina Josepha (Zeefke) Gielen, geboren te Schinveld op 30 juni 1897, overleden te Sittard op 27 maart 1969, dochter van Hubert Gielen, landbouwer, handelaar in hakhout, kruidenier en Maria Sophia Reijnders. Het echtpaar had dertien kinderen.

 

Arnold ging bij zijn trouwen in een nieuw gebouwd huis wonen, naast de Onderste Molen, waar ook de elektrisch aangedreven houtzagerij en de houthandel naartoe werden verplaatst. Arnold was vele jaren gemeenteraadslid van de gemeente Schinveld, vóór en ná de 2e wereldoorlog, waarvan ook een aantal jaren wethouder. Ook was hij vele jaren voorzitter van de woningbouwvereniging in deze gemeente.
In 1950, een "Heilig Jaar", heeft hij samen met zijn broers Sjang en Joseph en hun echtgenotes (en enkele tientallen andere pelgrims) een Rome-reis van 14 dagen gemaakt, waarvan hij een nauwkeurig dagboek heeft bijgehouden. Zijn vrouw Zeefke bleef thuis bij de kinderen. Jarenlang heeft hij bezoekers thuis in geuren en kleuren van zijn Rome-reis verteld aan de hand van een schoenendoos vol met (zwartwit) foto's.

Vanaf zijn jongere jaren tot aan de 2e wereldoorlog blies hij de bastrombone in de harmonie St.Caecilia te Schinveld. Hij was zozeer verknocht aan dit muziekgezelschap dat hij op het terrein van zijn houthandel een repetitielokaal liet bouwen, waarin de harmonie tot aan de 2e wereldoorlog repeteerde.
Met vooruitziende blik liet hij in de laatste jaren vóór de 2e wereldoorlog op het terrein van de houthandel een schuilkelder bouwen, waarin zijn gezin en omwonenden hun toevlucht zochten als de sirenes afgingen
.

 

20  Molenaarszoon Jan Michiel Hubert (Jan) Diederen

 

zoon van molenaar Christiaan Joseph Diederen en Maria Cornelia Gielen, geboren te Schinveld op 25 augustus 1920, overleden te Schinveld op 6 april 1942.

 

De navolgende informatie is ontleend aan het Familieboek Baggen-Diederen 2008. Jan bleef na de lagere school thuis en hielp zijn vader in het molenaarsbedrijf. Hard werkend, vriendelijk en welbespraakt, werd hij voor zijn vader onmisbaar. Er werd een vrachtwagen aangeschaft en mede door het handelstalent van Jan groeide de molen met een graan- en kunstmesthandel uit tot een modern bedrijf. Jan had tevens een aangeboren talent voor muziek. Op een solistenconcours in Linne werd hij (15 jaar oud) de premier van het concours; in de Ere-afdeling behaalde hij de 1e prijs met 95 punten. Toen Jan overleed werd zijn vader in één nacht volkomen grijs (aldus het familieboek).

Op 10 mei 1940 trok het Duitse leger ook Schinveld binnen. Aan de Brunssummerstraat, tegenover de houtzagerij/-handel van Arnold Diederen lag een marechaussee-kazerne. De marechaussees wilden vluchten naar Maastricht (tot achter de Maas) en vroegen aan Jan om vervoer met de vrachtwagen van de Onderste Molen. Tijdens deze vlucht onderweg naar Brunssum werden ze door Duitse militairen achtervolgd en beschoten. Uiteindelijk werd de vrachtauto door de Duitsers in Amstenrade aangehouden. Jan en zijn broer Jacques, die ook mee was, werden in een weiland vastgehouden en de marechaussees werden krijgsgevangen gemaakt. Jacques wist onder de afrastering door te ontkomen. Later op de dag kwam Jan samen met een Duitse militair en de vrachtauto terug bij de Onderste Molen. Hij moest voor de Duitsers een vracht vervoeren naar Geilenkirchen, waarna hij weer als vrij man naar huis terug kon keren.

Jan moest regelmatig graan vervoeren vanuit Schinveld naar de haven in Maastricht. Tijdens een van die ritten, in het najaar van 1941, kreeg hij op de Meerssenerberg bandenpech. In de sneeuw liggend onder de auto bij het bandenverwisselen was hij doornat geworden. Hij werd zwaar ziek, een ernstige longinfectie gevolgd door tuberculose. Hij stierf uiteindelijk aan hersenvliesontsteking. Zijn vriendin / verloofde Fonsa von Kann kwam Jan veelvuldig aan zijn ziekbed bezoeken. Ook zij werd met tuberculose besmet en stierf ongeveer een jaar later. Op haar uitdrukkelijke wens werd zij naast Jan op het Schinveldse kerkhof begraven.

 

21  Molenaar Jacobus Hubertus Andreas (Jacques) Diederen

 

geboren te Schinveld op 30 mei 1922, overleden te Schinveld op 9 maart 1985, trouwde te

Schinveld op 16 augustus 1948, met Anna Maria (Jenny) Pagen, geboren te Schinveld op

10 januari 1922, overleden te Amstenrade op 25 augustus 2004.

 

en

 

22  Molenaar Andreas Hubertus Arnoldus (Nol) Diederen

 

geboren te Schinveld op 15 maart 1924, overleden te Schinveld op 15 februari 1992,

trouwde te Schinveld op 9 november 1954 met Maria Philomena (Wilma)

Bleilebens, geboren te Schinveld op 25 augustus 1932.

 

 

Jacques en Nol zijn zonen van molenaar Christiaan Joseph Diederen. Zij kunnen beschouwd worden als de laatste molenaars van de Onderste Molen. Zij hebben omstreeks 1973 het molenbedrijf stilgelegd.


molens


auteur van dit artikel is: dr. Jacques H.B. Diederen uit Nieuwegein (een neef van de laatste twee molenaars)



Afbeeldingen van personen in dit artikel.


11 - Christiaan Joseph Dohmen

13 - Maria Agnes Dohmen

14 - J.F.A. Dohmen

18 - Christiaan Joseph Diederen

19 - J. A. (Arnold) Diederen
zie ook (klik)

20 - J.M.H. (Jan) Diederen
zie ook (klik)

21 - J.A.H. (Jacques) Diederen
zie ook (klik)

22 - A.H.A. (Nol) Diederen
zie ook (klik)






Opm. van de webmaster.

In het Limburgs Dagblad van vrijdag 11 feb. 1955 vond ik een artikel over de ”Onderste Molen”. Een fragment hieruit betreffende de deur is hieronder weergegeven.

Voordeur
Het bovenluik van de voordeur - dat nog uit 1771 stamt - is een curiosium. In het oude hout staan de letters A. B. en A. R. gekerfd, met het jaartal 1771.
Het zijn de initialen van Antoon Bex en Anna Reinders, de eerste bewoners. Als symbool van de dageraad zijn de letters gevangen in een halve cirkel. Tegen de binnenkant van de deur is een stukje hout gespijkerd. Als de mulder het ter onzer ere van de deur afschroeft dan komt 'n medaille vrij, waar op men nog onderscheiden kan de woorden: Ora Pr. N. - S.Phendict
Ook tegen de binnenkant van de deur aan de achterkant van de molen bevindt zich een dergelijke medaille, aangebracht door mensen van twee honderd jaar geleden, om heksen en spoken buiten de molen te houden...

email me
mailbus van Sjilvends
home
Begin van Sjilvends


html hit counter