Oranje tafeltjes
Wanneer Stef in september 1943 bij meester Peters in de klas komt, zijn de eerste zaken die hij en zijn klasgenoten te horen krijgen: 'Wanneer de
juffrouwen je vader en moeder dat nog niet klaar hebben gekregen, ik zal jullie wel manieren en fatsoen bijbrengen. En fatsoenlijk Nederlands lezen
en schrijven. De tafeltjes en de catechismus heb je aan het eind van het jaar van buiten leren dromen.' Met het leren van de tafeltjes wordt al gauw
gestart. De melodie zit er al tamelijk gauw in, maar de inhoud? Dat is zonder meer het aloude conflict tussen vorm en inhoud. Daar hebben kinderen
van zeven jaar, ook al in die tijd, veel te vroeg mee te doen. De tafeltjes leveren het enige reguliere huiswerk op waarmee de klas in dat jaar wordt
geconfronteerd. Maar elke dag worden ze door de meester overhoord. Die denkt daarbij op een gelukkig toeval te zijn
gestoten: de Duits bezetter stelt elke woensdag een grote vracht sinaasappels ter beschikking van de scholen. Na deze vruchten enige jaren te
hebben ontbeerd, is het voor de kinderen een waar feest ze eigenhandig te kunnen pellen, ze mootje voor mootje op te delen en ze tenslotte heerlijk
op te sabbelen. Ieder kind krijgt er drie of vier, het is er van afhankelijk hoe groot de vruchten zijn. Op een keer slaat Sjang tot ieders verbazing
bij het uitdelen van de vruchten een aantal kinderen over, die er dus geen krijgen. Het plichtsbesef van de meester gaat in oorlogstijd zo ver, dat hij
de klas doet weten: 'Wie mij naar de tafeltjes laat fluiten, laat ik naar de appelsienen fluiten.'
Een paar weken weet de meester de sanctie gestand te doen. De lange kast met schuifdeuren onder het raam aan de gangzijde puilt inmiddels uit van
de opgespaarde appeltjes van verboden oranje. En inderdaad, wanneer een jongen de opgedragen tafeltjes na enige tijd blijkt te beheersen, meent
de meester hem blij te maken met een vracht sinaasappels die je in je eentje in geen dagen opeet. Bij nader inzien blijken er goddank een groot
aantal inmiddels rot te zijn of witgroene schimmel te bevatten, waardoor ze aan overmatige consumptie kunnen worden onttrokken. In geen geval
is het de bedoeling ze buiten de school te brengen. De kinderen dienen ze meteen in de klas op te eten en nergens anders.
Dan komt er een moment, waarop de meester doet alsof iedereen de tafeltjes kent. Geen ophoping meer in de kast. Wat er nog opgetast ligt, wordt
onder de aanwezigen verdeeld. Blijkbaar heeft hij ze van hogerhand op zijn donder gehad. Piet Paars van de bottenrij, dat is de rij banken aan de
gangkant, waar de meester 'de botteriken' apart heeft geplaatst, 'om ze het opletten bij te brengen,' fluistert ons van achter zijn hand luid
genoeg toe: 'Ik ken ze nog steeds niet, de tafeltjes. Maar mijn vader is bij hoofd meester Baggen geweest en heeft hem van katoen gegeven.'
Vanaf die dag doet onder de jongens het gerucht de ronde dat de vader van Piet bij de NSB is en dat je je voor Piet in acht moet nemen. Anderen
zeggen dat Piets vader in de zwarte handel zit en de meesters menige begeerlijkheid heeft toegestopt.
NB. Bovenstaand stukje is een van de vele verhalen uit het boek - Je moet weten hoe haas hupt - van Stephan Wojtkowiak over zijn
familie en zijn jeugd in Schinveld.
Het is overgenomen met toesteming van zijn vrouw, Annie Wojtkowiak.
Het ISBN is 90 75771 04 5
|