Ongeluk, dood en begrafenis van Jo Mevis
Naar aanleiding van de tragische dood van Jo Mevis schreef zijn commandant de onderstaande brief aan zijn weduwe, met de bijgaande dagorder van 29-10-'47.
Tjilatjap, 30-10-1947
Geachte Mevr. Mevis
Als Commandant van wijlen Uw echtgenoot soldaat Mevis, J. legernummer 190318010, rust op mij de taak U in kennis te stellen van de toedracht van het ongeval, dat tot het overlijden van Uw man leidde, alsmede een verslag te geven van de begrafenis.
Op 28-10-’47 te ongeveer 8.30 uur vertrok Uw man in gezelschap van de Korp. v.d Biggelaar per vrachtauto, een 2,5 tonner uit Tjilatjap, teneinde te gaan fourageren in Banjoemas. De auto werd bestuurd door de chauffeur Korp. de Haan, eveneens van de 32e H.P.V.A., die als een goed chauffeur bekend staat. Alle drie bevonden zich in de bestuurscabine. De Korp. van de Biggelaar en de Haan ter weerszijden, Uw man tussen hen in.
De afstand Tjilatjap – Banjoemas bedraagt ongeveer 60 km. Na ± 28 km gereden te hebben, naderden zij omstreeks 9.15 uur een rivier, genaamd Kali Tadjoem. Over deze kali, die naar schatting ter plaatse ongeveer 35 m breed is, ligt een brug van vrijwel dezelfde lengte. De brug is smal, juist breed genoeg voor een 2,5 tonner. Ter weerszijden bevindt zich een houten hek, in gebrekkige staat, zodat hier en daar alleen de houten paaltjes nog zijn overgebleven. Het brugdek bestaat uit asfalt en verkeerd over 2/3 van de lengte, juist aan de Tjilatjapse zijde in vrij goede staat. Het overige gedeelte aan de overzijde is tengevolge van vernieling voorlopig door een houten brugdek vervangen. De oprit aan de Tjilatjapse zijde ligt met een vrij scherpe rand ± 15cm boven de weg. Een en ander is oorzaak dat de brug slechts zeer langzaam overgetrokken moet worden. Door tot nu toe niet geheel opgehelderde oorzaak is de bestuurder vlak nadat hij de brug was opgereden, de macht over het stuur kwijtgeraakt, de auto week naar rechts uit, zodat deze reeds na ± 5 m afstand van de oprit (blijkens de vandaar afgeknapte houten paaltjes over ± 4 a 5 meter afstand) van het brugdek afreed en omkantelde en in de rivier viel en geheel onder water verdween.
Mevr. Mevis, ik ben mij bewust, dat een verslag van het ongeval U wel zeer hard en pijnlijk moet treffen. Enerzijds is het echter de voorgeschreven taak van de Commandant, anderzijds zult U toch niet kunnen rusten, voordat U de juiste toedracht hebt vernomen, hetgeen ook de reden is, waarom dit de Commandant wordt opdragen.
Korp. de Haan en Korp. Biggelaar is het gelukt de auto onder water te verlaten, evenals de 5 Chinezen, die zich in de laadbak bevonden. Uw man is dit helaas niet mogen lukken.
De beide korporaals bevonden zich tengevolge van de schrik in overspannen toestand en konden nauwelijks de oever bereiken.
Even later passeerde een z.g. scoutcar, die door de korporaals werd aangehouden. Na inlichting omtrent het gebeurde, begaf de scoutcar zich ijlings naar een nabij gelegen post van I-5 R.I., teneinde hulp te halen. Even over de brug ontmoetten zij de postauto van de 32e H.V.P.A., die uit Banjoemas terugkeerde. Zij lichtten de inzittenden in, waarna de scoutcar doorreed naar bovengenoemde post en de postauto zich snel naar de plaats van het ongeval begaf. De facteur, de soldaat de Hoon, aarzelde geen ogenblik en sprong te water. Dit zal ongeveer een kwartier na het ongeval geweest zijn. Het gelukte de soldaat de Hoon niet het inwendige van de cabine te bereiken, bemoeilijkt door de vrij grote diepte, waarop de cabine zich bevond, de ondoorzichtigheid van het vuile water en de stroom, hoewel die die dag betrekkelijk gering was. Inmiddels was hulp verschenen van de post van I-5-R-I te Rawalo. Twee militairen sprongen eveneens te water en begonnen in samenwerking met soldaat de Hoon te duiken. Eveneene zonder resultaat. Wel bereikten zij de aan de rechterzijde openstaande cabine, het gelukte evenwel niet het inwendige te onderzoeken.
Ongeveer 40 min. na het ongeval nam een 1e Luit. van de A.A.T. de beide korporaals met zijn auto mede, teneinde deze naar het hospitaal van de 32e H.V.P.A. te Tjilatjap te brengen en mij te waarschuwen. De reddingspogingen werden voortgezet.
Te 10.30 uur zag ik, terwijl ik mij in het hospitaal bevond, hoe de korporaale v.d. Biggelaar en de Haan geheel ontdaan in z.g. shell-shock verkerende werden binnengebracht.
Bij eerste oogopslag bleken zij slechts licht gewond. De reeds genoemnde 1e Luit. van de A.A.T. meldde mij het ongeval. Ik begaf mij onmiddellijk daarna per jeep naar de plaats van het ongeval, in gezelschap van de sgt. Westerink, een goed zwemmer. Het was mij echter toen reeds duidelijk, dat mijn hulp als medicus niet meer nodig zou zijn. Voor vertrek gaf ik opdraoht een ambulancewagen mij zo spoedig mogelijk te doen volgen.
Onderweg verzocht ik een passerende auto van de Civile Politie de M.P. te Tjilatjap te waarschuwen. Te 11 uur arriveerden wij
ter plaatse. De reddingspogingen had men inmiddels gestaakt, daar deze geen resultaat hadden opgeleverd en bovendien van geen nut meer konden zijn. De auto bleek zich geheel onder water te bevinden niet de wielen naar de bodem. De voorwielen schuin omhoog naar het midden toe, het achtereinde ongeveer 7 meter uit de wal. Daar was het bovengedeelte van de kap vaag in het water waar te nemen.
Men had reeds hulp gevraagd van een kraanwagen om de auto uit het water te halen. De cabine moest zich minstens op 3 meter diepte bevinden. Na ongeveer 2 uur verscheen de kraanwagen. Het was evenwel duidelijk, dat deze wagen alleen, tengevolge van de steile wal, de wagen niet op het droge zou kunnen slepen. Besloten werd deze toch zover mogelijk te liohten, teneinde de cabine te kunnen onderzoeken. Na 2 uur werken kwan de cabine te 12 uur gedeeltelijk boven water. Tot ons aller grote teleurstelling werd Uw man niet in de cabine aangetroffen. Daarna gaf lk opdracht tot dreggen. Hoewel deze opdraoht mij zinloos scheen, gezien de altijd nog vrij sterke stroom, leek het mij toch aangewezen, dat wij alles deden wat wij konden, om Uw man te vinden.
De dreg werd terplaatse gemaakt. Me ruim 3 kwartier dreggen gecombineerd met duiken door 5 man, hadden wij nog geen enkel resultaat. Op dit ogenblik passeerden 2 inheemse mannen, die door de M.P. gesommeerd werden om mee te helpen duiken. Een van hen dook en kwam boven met een laars van Uw man. Tegelijkertijd meldde de Korp. Sinok, dat hij meende iets gevoeld te hebben. Hij zei tegen de ander dat hij op die plek moest duiken. En deze vond Uw man. Ik kon slechts de dood constateren.
Wij legden hem op een brancard en brachten hem naar de ambulanceauto, waarna hij naar het veldhospitaal te Banjoemas vervoerd werd, aangezien Banjoemas als centrale begraafplaats voor de V-brigade is aangewezen. Onmiddellijk na terugkeer in Tjilatjap zond ik de 1e Luit. Senden naar Banjoemas, teneinde regelingen omtrent de begrafenis met de Commandant Veldhospitaal en met de plaatselijke militaire Commandant te treffen. 's Avonds seinde hij, dat Uw man de volgende dag 29 october 1947, te 11 uur met militaire eer zou begraven worden. De plaatselijke militaire Commandant zou zorg draden voor het vuurpeleton, terwijl wij 8 dragers en 18 man erewacht gaven.
De volgende dag, toen wij in het veldhospitaal, van waaruit de begrafenis zou plaats hebben, aankwamen, bleek het stoffeljk van Uw man reeds opgekist en opgebaard. Langs de weg van het hospitaal naar de uitgang stelde onze erewacht zich op, terwijl het vuurpeleton zich opstelde aan de uitgang.
De kist werd gedragen door 8 man, waarvan 2 zijn meest directe medewerkers en kameraden uit het verplegingspersoneel. De kist was van bruin teakhout en werd gedekt door de Nederlandse vlag, waarop vier eenvoudige kransen gelegd waren.
De 1e gegeven door de 32e H.V.P.A., de 2e door het verplegend personeel, de 3e en 4e naar ik meen, van resp. geneeskundig- en transportpersoneel.
Toen de kinst werd uitgedragen, presenteerde het vuurpeleton het geweer, terwijl de erewacht en verder aanwezige officieren, onderofficieren, korporaale en manschappen de millitaire groet brachten. Na het passeren van het vuurpeleton werd het commando: ”Over de schouder geweer !” gegeven, waarbij de erewacht en overige aanwezigen in de militaire houding bleven staan tot de kist in de wapencarrier was geplaatst en de dragers aan weerszijden zittend daarlangs hadden plaats genomen. Daarna volgden vuurpeleton, officieren en de wacht de wapencarrier tot de plaats waar de stoet werd opgesteld, ongeveer 200 meter verder. De stoet werd voorafgegaan door 3 jeeps; in de 1e de commandant en 2 officieren, waarvan de 1e Lt. van de Poort, commandant was van de erewacht. In 2e jeep namen plaats de aalmoezeniers van L-9-R.I., de pater
v.d. Laan, die de kerkelijke plechtigheden bij de begrafeni verrichtte en 2 officieren van de 32. U.V.P.A. In de 3e jeep 3 onderofficieren van de 32. H.V.P.A. Daarop volgde een 3 tonner, waarin gedeelte van de erewacht, daarna de wapencarrier, die de kist droeg, daarna weer een 3 tonner waarin het vuurpeleton en de rest van de erewacht. In langzaam tempo werd gereden naar de begraafplaats, ongeveer op 1 km afstand.
Toen de wapencarrier zich voor de oprijlaan bevond, hield de stoet halt. De erewacht en verder aanwezigen stelden zich op langs
de oprijlaan en het vuurpeleton aan de ingang van het kerhof. Bij het passeren van de erewacht en verder aanwezigen bracht ieder de militaire groet en sloot zich daarna in colonnen van 2 achter de wapencarrier aan. Terwijl de kist onder de lopen der geweren van het vuurpeleton passeerde, werd een vuursalvo afgegeven. Daarna werd de kist uit de wapencarrier genomen en op de schouders der dragers het kerkhof opgedragen, gevolgd door het vuurpeleton, officieren, erewacht en verder aanwezigen.
Bij het graf bevond zich reeds de Pl. Mil. Cdt. en zijn
Adjudant. De kist werd geplaatet aan het voereinde. De pater stelde zich aan het andere einde op en wijdde het graf. Daarna werd de kist in het graf gelaten, waarbij door het vuurpeleton een salvo werd afgegeven. Nadat de Aalmoezenier de verdere kerkelijke plechtigheden had verricht, werd gezamenlijk gebeden.
Hierna dankte ik namens de familie alle aanwezigen voor de eer aan de overledene betoond, waarmede deze plechtigheid een einde liep.
Het was een plechtige en indrukwekkende begrafenis.
Een beschrijving van het mooi gelegen kerkhof zal ik niet geven. Beter dan ik zullen foto’s U daarvan een indruk geven. Zodra ze gereed zijn, zal ik U die doen toekomen, tegelijk met een foto van het graf, als dit gereed.
Na dit verslag wil ik U en Uw familie als commandant namens de 32e H.P.V.A. en persoonlijk mijn hartelijke deelneming betuigen met dit smartelijk veriies. U gelooft in God de hemelse Vader, die weet wat Hij in Zijn Wijsheid doet en welk kruis Hij in zijn liefde oplegt, zodat U kunt zeggen: Wij treuren, maar niet zoals zij, die geen hoop hebben.
Op de dag der begrafenis gaf ik hierbij ingesloten dagorder uit, welke op het ochtendappel werd voorgelezen. Ik meen dat ik daarin geheel heb uitgedrukt hoe wij over Uw man dachten. U zult daaruit ook vernemen, dat er op 31 October 1947 een Plechtige Mis van Requiem is opgedragen in de Parochiekerk van Tjilatjap. De pastoor al U nadere bijzonderheden daaromtrent melden.
U verder groetend en sterkte toewensend in deze moeilijke dagen.
Hoogachtend,
w. g. J.M.Herrewaarden
DAGELIJKSE ORDER dd. 29 October 1947
Op 28 October 1947 overleed tengevolge van verdrinking de soldaat M E V I S, J., legernummer 190317010, in leven soldaat menagemeester van de 32 Hp.V.A.
Gaarne wil ik hieraan een persoonlijk woord toevoegen. Het is de eerste keer, dat ons een man door de dood wordt ontnomen. Dit, en het feit, dat het op zulk een tragische wijze geschiedde, spreekt ons wel zeer aan. Het meest treft ons echter, dat het juist Mevis moest zijn, die ons voor het eerst ontviel. Zijn persoonlijkheid, die ongezocht ons aller waardering afdwong werd bepaald door twee dingen: trouwe kameraadschap en nauwkeurige plichtsvervulling, de eigenschappen die een goed soldaat kenmerken.
Onopvallend zette hij zich geheel in voor de hem opgedragen taak. Meerdere malen werden door hem risico’s bij de aanvoer van de menage van ons onderdeel zonder ophef genomen.
In de strijd om de bevrijding van ons vaderland had hij zioh reeds geheel ter beschikking gesteld.
Hij was de man, die zich op grond van vroegere ervaringen, bij het begin van de actie vrijwillig bij mij meldde voor het opruimen van eventueel door ons onderdeel aan te treffen booby-traps.
Had de organisatie van een Hp.V.A. een hogere rang in zijn functie toegelaten, hij zou zonder enige twijfel door mij in die rang zijn bevorderd.
Laat zijn leven als militair ons allen, Officieren, Onderoffieren, Korporaals en manschappen ten voorbeeld zijn.
HIJ RUSTE IN VREDE
De begrafenia van het stoffelijk overschot van de soldaat is bepaald op 29 October 1947 ten 11.00 ure op de militaire begraafplaats te Banjoemas. Allen die niet door de dienst verhinderd zijn en bij de begrafenis aanwezig wl1en zijn, zullen daartoe in de gelegenheid worden gesteld. Op Vrijdag, 31 October 1947, om 8 uur, zal een H. Mis van requiem worden opgedragen in de parochiekerk te Tjilatjap.
Benoemd tot leden in de Commissie belast met het verzamelen bewaren, inventariseren, verpakken en verzenden van de persoonlijke bezittingen van de soldaat Mevis, J. :
de 1e Luit. v.d. Poort N.P.
de Fourier Bruning M. .
De Commandant van de 32e Hp.V.A,
De Res. Dir. Off.v. Gez. III,
w.g. J.A. van Herrewaarden
|
 |
|